donderdag 23 mei 2024

Entropy in social dialogue

In the 1980s, social sciences tried to transfer concepts from physics to their fields. In economics, this led to concepts as value-time - which you could say were around for 150 years already following Karl Marx - and 'energy flows'. In sociology, socio-technical systems applied an engineering approach to organisations (De Sitter, 1981) - and again this goes back to Waxweiler, Solvay in the late 19th century and Tavistock in the middle of the 20th century.

Some time ago, I wrote an essay on a partial basic income, with the title "entropy". My colleague and genious Walter Van Trier was immediately enthousiastic when he read it, and asked my why I had chosen this title. By that time, I had already forgotten why. That's how ADHD works. Recently, however, I found a new use for it.

In Belgium, collective bargaining or, more widely, social dialogue, has a long tradition and is strongly institutionalised, but it fails to inspire. To dissect the issue, we could look at it from different points of view:

1. Structure: although some institutions overlap (works councils and OSH-committtees, for instance) and some are rusty (a number of joint committees), there is no lack of coverage, committees are elected democratically and can be formed freely, and there are few obstructions to the functioning of the different bodies.

2. People: there is a strong belief that the representatives of unions and employers federations are hardheaded and antagonistic, missing the willingness to pursue common interests.

3. Groups and trends: the representatives do not entirely act out of free will, but represent conflicting interests and are guided by social trends such as political polarisation.

4. Time: as the system is old and has produced a large number of outputs, in the form of collective bargaining agreements, the breakthroughs have been made and it becomes increasingly harder to further improve the situation - much like looking for the next prime number.


I want to - pun intended - expand on the last factor, because here the law of entropy could be projected on a social trend. When the division of labour is simple, there is order or low entropy. Over time, as the division of labour is more complicated, there could be two views. One is that the invisible hand creates a balance and the economy grows and society prospers. The other is that there is increased chaos or high entropy, e.g. all kinds of working arrangements, exploitation, etc. Social dialogue and collective bargaining have attempted and succeeded in realigning arrangements collectively, putting in 'labour' to restore order. However, entropy depends on the state which is considered. The order that is restored, can be found in microstates (e.g. companies, sectors), not necessarily in the macrostate (the economy, society).  Moreover, the order that has been created may even prevent lowering entropy further, because to create order in the macrostate (e.g. give people comparable contracts and working time), the order in a microstate (e.g. a sectoral agreement) would need to be broken down. This could be why time affects social dialogue - and it is indeed not different from ideas about rusty systems (cf. the organicism of Herbert Spencer).

Now I also suggested optimists may believe the invisible hand should never have been guided by social dialogue. This is a hard sell. Theoretically, or hypothetically, if one had infinite tries to redo one's carreer and training, everybody would make the smarter choice. Diminish the number of tries, and we might learn from the experience of others. Increase the speed of change, however, and limit out number of tries to just one, and it becomes clear that the invisible hand is rather erratic and it is well plausible that inferior equilibria prevail for a long time, if not forever. Collective bargaining is learning from the collective experience, and therefore acting collectively to prevent individual mistakes. It is one solution to the time problem, but, as argued above, it also has a limit. It can reach a moderate level of entropy within the macrostate, but needs to be maintained in order to not fall apart again as the division of labour is effectively a process of atomization, creating new possibilities, but destroying existing structures and order.


woensdag 13 juli 2022

Belastingen op technologie?

Vandaag lezen we dat de gemeente Sint-Jans Molenbeek een belasting gaat invoeren van 5600 EUR per zelfscankassa. Dit is opmerkelijk – enkele bedenkingen.

Eerst en vooral moeten we kijken naar de motieven voor een belasting: dit is enerzijds het financieren van overheidstaken, die we kunnen definiëren als taken van algemeen maar niet van particulier belang. Scholen moeten er bijvoorbeeld altijd zijn, ook als jij of je kind niet naar school gaat. Anderzijds worden belastingen ook gebruikt om te ontmoedigen: motorbrandstoffen, vervuilende verpakkingen, alcohol en tabak worden bijvoorbeeld zwaar belast, en de BTW op renovaties is lager dan die op nieuwbouw, met de bedoeling om het gedrag te sturen. Idealiter belast men economische factoren met een inelastische vraag, zodat de belasting het gedrag niet verandert, of die factoren die ongewenst zijn. Economische factoren in dit verhaal zijn  productiefactoren (arbeid, kapitaal, technologie, en grondstoffen), vermogen, transacties, consumptieproducten, en dergelijke.

De gemeente Molenbeek is één van de armste gemeentes van het land. Een gemeente int geen personenbelastingen, maar veel valt er ook niet te innen met een hoofdzakelijk inactieve bevolking. Er is echter wel enige economische activiteit en men kan gemeentelijke opcentiemen nemen op onroerend goed.

Niet lang geleden heeft Molenbeek al een belasting geheven op de toeristische sector. In feite spreken we van één groot hostel (Meininger), want veel ander toerisme is er niet. Deze belasting is eenvoudigweg het spijzen van de gemeentekas, ervan uitgaande dat het hostel niet zal wegtrekken, maar ook dat er geen nieuwe meer zullen komen, want die zouden door de taks worden ontmoedigd. De belasting op zelfscankassa's daarentegen is eerder bedoeld om het gedrag te sturen richting persoonlijke bediening en dus jobs en sociaal contact. Althans, dat zegt men toch expliciet.

In mijn ogen is de maatregel ondoordacht. Ten eerste is er het welvaartsperspectief. Als bedrijven de productiviteit van werknemers kunnen verhogen wordt er meer meerwaarde gecreëerd. De winst vloeit terug naar de economie of kan je belasten zolang dat gecoördineerd gebeurt. Lasten op winst, zonder de mogelijkheid om activiteiten te verplaatsen, leidt immers niet tot het ontwijken van winstgevenheid - toch niet zolang er ook voor de ondernemer winst overblijft. Theoretisch zou je met andere woorden verwachten dat bedrijven die beter presteren dankzij technologie juist méér personeel gaan aanwerven, al zij het dan voor niet-automatiseerbare taken, of het bestaande personeel meer kan betalen. De spillover naar de gemeenschap is dan het sociaal contact tijdens de productie in plaats van tijdens de consumptie, en het rijkere culturele leven dat samengaat met de toegenomen welvaart, zowel via de persoonlijke inkomens als via belastingen.

Natuurlijk kan kapitaal ook gemakkelijk wegvluchten en zo de returns doen verwijnen, of kan het zijn dat er geen arbeidsaanbod is voor andere jobs dan kassabediende. Voor laaggeschoolde migrantenvrouwen is dit misschien niet ondenkbeeldig: logistiek en magazijnwerk is allicht voor hen geen realistische optie. Ook zou men er kunnen vanuitgaan dat de zelfscankassa helemaal niet vermeden zal worden, waardoor het een eenvoudige belasting van het eerste type is, zonder gedragssturing (vroeger waren er ook taksen op stoommachines, bijvoorbeeld). Ten slotte kan je verkiezen dat gemeenten experimenteren met taks op technologie, omdat een nationaal plan meteen veel grotere consequenties zal hebben. Volgens mij zijn dat eerder zwakke argumenten voor de gemeentelijke belasting. Het is leuk dat Molenbeek creatief beleid wil voeren, maar het lijkt meer op een wanhoopsdaad dan een echte strategie, en je kan je afvragen of het wel slim en ethisch is om met je laatste centen op de de lotterij te spelen.

De keuze die men nu gemaakt heeft zal een aantal voorspelbare gevolgen hebben: daar waar de vaste som van 5600 EUR kleiner is dan de winst bij het invoeren van een zelfscankassa, zal men de kassa gewoon automatiseren en de winst verkleinen of proberen te behouden door lonen te drukken of prijzen te laten stijgen. 

Men kan zich voorstellen dat grotere bedrijven of filialen de investering niet zullen uitstellen, aangezien zij grotere marges hebben dankzij grotere volumes, en personeel ook elders kunnen inzetten. Meer nog, allicht gaan ze voor de duurste en snelste machines, omdat het een vaste taks is per scanner. Daartegenover staat dat kleine bedrijven met slechts enkele werknemers en een veel lagere omzet tegen een substantiële taks aankijken, en het met de lagere productiviteit van mensen zullen moeten stellen. Ketens zullen ook Molenbeek vermijden en meer investeren waar de productiviteit hoger ligt. Een verschuiving naar onproductieve bedrijven zal de tewerkstellingsgraad in de gemeente geen goed doen.

Dat belastingen gediversifieerd moeten zijn, en dat alles op arbeid verhalen allicht geen keuze voor de toekomst is, dat is duidelijk. In het wilde weg op gemeentelijk niveau met forfaitaire taksen jongleren, lijkt echter gedoemd om te mislukken en perverse effecten te genereren. Als er ergens een degelijke studie voorafgegaan is aan deze gemeentelijke bepaling zou ik ze graag eens lezen. Deze maatregel lijkt echter een creatieve interpretatie van de samenvatting van een opiniestuk van iemand die Thomas Pketty gelezen heeft. Het is enigzins ironisch dat het dan nog een liberale schepen is die het plan bedacht heeft.

Referenties

'Beci gaat strijd aan tegen Molenbeekse taks op zelfscankassa's', Bruzz, 18 juli 2022 - https://www.bruzz.be/samenleving/beci-gaat-strijd-aan-tegen-molenbeekse-taks-op-zelfscankassas-2022-07-18

'Sint-Jans-Molenbeek voert belasting van 5 600 euro in per zelfscankassa', VRT NWS, 13 juli 2022 - https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2022/07/13/sint-jans-molenbeek-voert-belasting-van-5-600-euro-in-per-zelfsc/

'Sint-Jans-Molenbeek voert belasting van 5 600 euro in per zelfscankassa', Bruzz, 13 juli 2022 - https://www.bruzz.be/samenleving/sint-jans-molenbeek-voert-belasting-van-5600-euro-zelfscankassa-2022-07-13

zaterdag 2 juli 2022

Migratie en groei

Ik veroorloof mij even deze opinie, al besef ik dat experten veel nuances zullen aan te brengen hebben bij de stellingen die ik hier naar voor breng.

België is een land van migranten. Dat is niet erg en het is niet onverwacht. In de naoorlogse periode kende ons land een sterke economisch groei met een grote vraag naar arbeidskrachten die door migratie uit het middellandse zeegebied, eerst Italië en Spanje, nadien Turkije en Marokko, is beantwoord. Men kan parallellen zien met de veel grotere economie van de Verenigde Staten, of met een kleinere economie zoals die van Zwitserland. Telkens gaat het om open, exportgerichte economieën. Brussel kan zich voorts qua diversiteit naast New York zetten, maar ondanks de internationale instellingen komt het op vlak van welvaart niet in de buurt van Genève. De demografische trend geeft aan dat de etnische heterogeniteit nog verder zal toenemen, en dat het aandeel migranten in de nabij toekomst nog groter zal worden.

De maatschappelijke integratie van migranten is echter geen succes geweest. Een goede graadmeter is het aantal etnisch heterogene gezinnen. Als ervaringsdeskundige kan ik zeggen dat het water zeer diep is. Cultuur is daarbij een factor, maar een ingrijpendere trend in de laatste decennia zijn homogenere huwelijken, deels ingegeven door de verwachtingen van steeds hoger opgeleide vrouwen, eerder dan die van mannen. Men kan dus islamitische mannen wel verwijten dat ze importbruiden aantrekken, maar de vraag is of ze wel een alternatief hebben. Hoogopgeleide etnisch Belgische vrouwen staan niet te springen voor schoolverlaters.

Wellicht hebben we een vergissing gemaakt door de achtergestelde positie van migranten bijna volledig aan discriminatie toe te schrijven. Een Turkse wetenschapper die hier bijlessen geeft vertelde mij dat in zijn praktijk enkel scholieren van nieuwe migranten komen, geen derde-generatieturken. Hun ouders waarderen scholing niet en verkiezen snel geldgewin. Een Nigeriaanse wetenschapper gaf dan weer aan dat ze Belgen van Nigeriaanse origine om dezelfde reden vermijdt. Ook al is armoede en discriminatie een remmende factor, toch geven ze beiden aan dat er een selectie-effect is: mensen met een hoog verdienpotentieel zullen in eigen land blijven, terwijl mensen met een laag verdienpotentieel de grens oversteken. Het verdienpotentieel is voor een groot deel afgeleid van de intellectuele capaciteiten of het IQ, dat genetisch erfelijk is. Met andere woorden: historische migratiegolven zouden wel eens intellectueel mager geweest kunnen zijn. Dat is volstrekt logisch, aangezien toen fysieke werkkracht werd aangetrokken. Door de etnisch homogene huwelijken is de variatie nog verder verminderd in plaats van toegenomen.

In de economische wetenschap wordt het effect van migratie doorgaans anders ingeschat: ten eerste gaat men ervan uit dat mensen met een groter verdienpotentieel in een grotere radius zoeken om dit potentieel te valoriseren, waarbij dit eerder tot migratie dan tot pendelen leidt. Ten tweede is er een positief effect van het toegenomen arbeidsaanbod op de totale welvaart. Dit kan in een dynamischer model leiden tot positieve spillovers voor iedereen, en dus bijvoorbeeld overheidsinspanningen om de integratie te bevorderen. In dit geval zien we echter negatieve spillovers: de nakomelingen van fysieke arbeidskrachten van een halve eeuw geleden ingeweken zijn hebben niet de kwaliteiten die vandaag nodig zijn, de schoolprestaties gaan erop achteruit, en de maatschappelijke problemen nemen toe. In het bijzonder zien we dat er zich een alternatieve informele economie ontwikkelt waar migranten in actief zijn (voornamelijk bouw, drugshandel, mensenhandel en prostitutie, autohandel, logistiek en koeriersdiensten) omdat hun economische integratie onvoldoende is om aan de eisen van de reguliere economie op vlak van lasten en voorwaarden, bijvoorbeeld vervat in CAO's, te voldoen. Door de reguliere markt te ondergraven en door het schoolniveau te verlagen sleept men zo ook de autochtone bevolking mee op het pad naar minder welvaart. In dit informele circuit zijn er allerhande problemen, gaande van uitbuiting, sociale fraude, intellectuele fraude tot geweld en omkoping. Zeker in Brussel is er een soort maffia-cultuur ontstaan. 

Een nationalistisch politicus stelde zich ooit de vraag wat de economische meerwaarde van migratie is. Er zou een studie zijn van de Universiteit Antwerpen die aangeeft dat deze positief is. Ik heb deze niet gelezen, maar veronderstel dat volgende opmerkingen op hun plaats zijn: ten eerste moeten we letten op het onderscheid tussen de korte en de lange termijn: een lager betaalde werknemer kan vandaag economische meerwaarde opleveren, maar dit kan onvoldoende zijn voor zijn latere sociale zekerheid, laat staan die van anderen. Ten tweede zijn niet alle migratiestromen dezelfde: sommigen emigreren uit landen die qua welvaart op hetzelfde peil als België staan en om andere redenen dan economisch opportunisme of precies om een hoger verdienpotentieel maximaal te verzilveren. Ten derde is er een voluntarisch element: in de mate dat we erin slagen om migranten economisch te integreren zal de meerwaarde groter zijn, maar in de mate dat ze in een vorm van aangeleerde afhankelijkheid geduwd worden (vb. werkloosheidsval), zal er eerder een directe en indirecte kost zijn. Het zou intellectueel oneerlijk zijn om deze verschillen en de kenmerken van de migrantengroepen niet mee in overweging te nemen, en om er omwille van het ethische principe dat alle mensen gelijkwaardig zijn, vanuit te gaan dat dit ook economische gelijkwaardigheid betekent. Dat is natuurlijk niet zo.

Moeten we dan de migratie stoppen? Neen, of toch niet voor altijd. In eerste instantie moeten alle inspanningen geleverd worden om de huidige migranten economisch te integreren. In tweede instantie moet nagegaan worden op welke schaal NV België het best opereert. De grondwaterreserves, huisvestingscapaciteit, urbanisatie en landbouwcapaciteit zouden dit moeten aangeven. Vervolgens moet voor elke migrant een sociaal economische voetafdruk bepaald worden. Men kan dit zelfs doen voor historische migratie. We kunnen migratie toelaten als de voetafdruk van de ene migrant compenseert voor die van de andere. Ook formules om het burgerschap te kopen en om het te verliezen zouden kunnen worden overwogen. In elk geval is het gebrek aan visie in het migratiebeleid één van de factoren waarom er een ongebreidelde groei is van de immigratie, zowel met als zonder papieren. We moeten eerlijk zijn en toegeven dat dit voorlopig nog niet wordt gebruikt als een troef, maar eerder zorgt voor verarming en verrechtsing, zowel bij de autochtone bevolking als bij de reeds conservatieve allochtone bevolking, welke zich eerst vastklinkt aan de linkse partijen die zich opstellen als donateur, tot dat voordeel wegvalt. Het is een debat met veel taboes, maar het moet wel gevoerd worden, zonder al te idealistische of folkloristische opvattingen.

donderdag 16 juni 2022

Stakingen

Definitie

Bij een staking leggen werknemers het werk neer. Er wordt niet geproduceerd en er wordt dan ook geen loon ontvangen. Bij een officiële staking wordt op voorhand door de vakbond een stakingsaanzegging gedaan. Hoewel het stakingsrecht niet formeel omschreven is in het Belgische arbeidsrecht, is dit impliciet erkend door internationaal recht, en zijn er procedures binnen het sociaal overleg om stakingen op een reguliere manier te laten verlopen.

Varianten:
  • Lock-outs, waarbij de werkgever het bedrijf laat stilleggen.
  • Wilde stakingen ('wildcat strikes') gebeuren onaangekondigd en zonder de steun van vakbonden.
  • Stiptheidsactie, waarbij de werknemers zodanig nauwgezet de taken afwerken dat het werk vertraging oploopt (vb. treinconducteurs controleren elke en iedere reiziger, politie controleert elk voertuig, etc.).
  • Betaalstakingen, waarbij werknemers geen geld innen (vb. treinconducteurs controleren niet).
  • Piketten, waarbij werknemers verhinderd worden om hun werk uit te voeren door werknemers van de eigen of van een andere organisatie.
  • Blokkering, waarbij de band wordt stilgelegd of producten worden vastgehouden tot er een akkoord is.
  • Een nationale staking is een staking in het hele land.
  • Een algemene staking is een staking in zo goed als alle sectoren.

Juridische basis

Ondanks het arbeidscontract dat een werkplicht inhoudt, mogen werknemers collectief werk weigeren. De reden hiervoor is dat arbeid (door de IAO) niet als een goed of bezit wordt beschouwd (cf. slavernij). Er kan discussie zijn over arbeidsvoorwaarden en omstandigheden om het werk op een menswaardige manier uit te voeren. De wet omschrijft de modaliteiten om in zo'n geval een staking aan te kondigen als een instrument binnen de sociale dialoog. Dit kan leiden tot bemiddeling en verzoening of een sociaal akkoord.

Vaak hebben sociale akkoorden een clausule die sociale vrede belooft als het akkoord wordt uitgevoerd. De sanctie voor het schenden van de sociale vrede is doorgaans dat de syndicale premie niet wordt uitbetaald.

Vier sociaal-economische paradoxen

Een staking is een krachtmeting tussen de werknemer en de werkgever. Beide verliezen inkomen en stellen jobs op het spel om een discussie in hun voordeel te beslechten. Als er snel een akkoord is, worden deze verliezen beperkt, maar kan één partij er voordeel uit halen ten koste van de andere. Met een later akkoord of zonder akkoord lopen de verliezen op, potentieel zelfs als er meer voordeel gehaald wordt door de ene partner. Deze onderhandelingsdynamiek staat bekend als de "Hick's paradox".

Een tweede paradox is dat stakingen een onmiddellijk negatief effect kunnen hebben, maar een uitgesteld positief effect. Zo is er de stakingskost en de gevolgen van de gestopte productie, maar als dit leidt tot een akkoord dat problemen verhelpt of de arbeidsorganisatie verbetert, dan kan na verloop van tijd de staking zorgen voor extra productiviteit en verbeterd welbevinden.

Een derde paradox is dat stakingen soms ondoelmatig lijken: zo gebeurt het dat havenarbeiders of spoorarbeiders met vrij goed beschermde statuten, staken om politieke redenen, en de economie stilleggen uit solidariteit met andere werknemers die niet kunnen staken. Een staking kan ook eerder een schot voor de boeg zijn. Zo is het effect van de (zeldzame) stakingen in de zorgsector, bekend als de 'witte woede', niet zozeer dat akkoorden worden bijgesteld, maar wel dat de dreiging voor nieuwe acties bijstelling van de akkoorden vertraagt of verhindert. Op een gelijkaardige manier hebben de stakingen tegen de aanpassing van het pensioenstelsel de aanpassing niet teruggedraaid, maar is de regering Michel die ze had doorgevoerd er electoraal voor afgestraft. Met de regering De Croo kwamen meer partijen die garanties boden op sociale zekerheid aan zet (met name de sociaal-democraten en de christendemocraten), en deze hebben bijvoorbeeld snel die zekerheid geboden aan werknemers die door de corona-epidemie op tijdelijke werkloosheid werden gezet.

Een vierde paradox is dat werknemers met betere arbeidsvoorwaarden vaak meer staken dan werknemers met slechtere arbeidsvoorwaarden. Eén reden hiervoor is dat de causaliteit loopt van de onderhandelingsmacht naar de arbeidsvoorwaarden, en dat deze dus beter zijn omdàt er gestaakt is in het verleden. Een tweede reden die daarop voortborduurt is dat er gemakkelijker kan gestaakt worden in de maakindustrie dan in de dienstensectoren, omdat men in de (lagere) dienstensector, de klant moeilijker in de steek kan laten (vb. verzorgingsinstellingen) en omdat de werknemers in minder kapitaalintensieve dienstensectoren niet van de rent-sharing kunnen genieten waar werknemers in de maakindustrie van genieten.

Bronnen

Informatiefiche stakingsrecht en uitbetaling loon – sociaal secretariaat Besox
https://www.besox.be/syndicale-acties-in-de-toekomst/

Infofiche over stakingen en lock-outs van FOD WASO
https://werk.belgie.be/nl/themas/sociaal-overleg/collectieve-conflicten/staking-en-lock-out

Statistieken gelijkgestelde periodes RSZ
https://www.rsz.be/stats/gelijkgestelde-periodes-kwartaalstatistiek#data

Kritiek van het VBO op de stakingsindicator van de RSZ
De kritieken zijn als volgt:
  • Sommige stakingen zijn niet erkend en belanden dus niet in de statistieken. – Dit is niet onwenselijk: de indicator geeft aan hoeveel erkende stakingen er waren.
  • Sommige erkende stakingen leiden alsnog tot uitbetaling van de – Als de werkgever een stakingsactiviteit beschouwt als een taak voor de onderneming, dan is het geen staking meer.
  • Het aantal personen of VTE dat staakt zegt niet hoeveel stakingen er zijn. – Ten eerste kan dit wél uit de DMFA microdata worden afgeleid, ten tweede kan men de stakingen per sector delen door de gemiddelde bedrijfsgrootte om een indicatie te krijgen, en ten derde suggereert men om stakingen in promille uit te drukken, wat ook een goede oplossing is.
  • De Belgische statistieken zouden niet conform de IAO-richtlijnen zijn. – Dat verdient om bekeken te worden, maar een administratieve statistiek sluit niet uit dat er andere manieren zijn om de stakingen op te volgen (vb. enquêtes, vakbonden, zoekopdrachten, etc.).
https://www.vbo.be/actiedomeinen/sociaal-overleg/sociaal-conflict/stakingsstatistieken-niet-betrouwbaar_2014-07-08/


Arbeidsongevallen, gebedsruimtes, en genderneutrale toiletten

Dit is een korte opinie over de beleidsfocus vandaag. 

In de laatste decennia is het aantal arbeidersjobs (fysieke handarbeid) gedaald van een meerderheid tot een minderheid van het totale aantal jobs in de privésector in België en zijn de bediendenjobs (mentale hoofdarbeid) nu talrijker. Daarmee is ook het aantal werkongevallen afgenomen, aangezien fysieke arbeid fysieke risico's inhoudt. Dit kan louter een compositie-effect zijn: uit eigen onderzoek blijkt dat arbeidersjobs nog steeds dezelfde risico's inhouden, en cijfers van Fedris tonen steeds aan dat ook de prevalentie van arbeidsongevallen in deze sectoren hoog blijft.

In het verleden was er veel aandacht binnen de sociale dialoog rond veiligheid en preventie op het werk, en zo werden arbeidsgeneesheren en preventieadviseurs aangesteld, en werden ondernemingen met minstens 50 werknemers verplicht om een CPBW in te richten. Bovendien is er een omvangrijke wetgeving rond veiligheid op het werk, en worden er ook inspanningen gedaan voor vorming en voorlichting ter preventie van arbeidsongevallen. 

Sinds de jaren 1990, samen met de toename van het aandeel en aantal bedienden, is er meer aandacht gekomen voor (mentaal) welzijn op het werk. Stress, burnouts, en vormen van discriminatie en intimidatie, zijn relatief nieuwe thema's in het preventiedomein, en worden veroorzaakt door zogenaamde psychosociale factoren. Recent is dit psychosociale domein uitgebreid met gevoeligheden die vroeger niet meteen tot de arbeidssfeer behoorden: aandacht voor diversiteit en inclusie, religie, gender, en seksuele oriëntatie. Sommige van die gevoeligheden zouden kunnen gezien worden als overgevoeligheid. Is het bijvoorbeeld een recht van een moslim om gedurende de ramadan minder performant en slaperig te zijn op het werk (noteer dat volgens de eigen leer het werk voorgaat), is het een groot probleem als een transseksueel naar hetzij een mannen- of vrouwentoilet moet gaan, dat iemand hard op tafel klopt tijdens een discussie (een manifestate van kracht ofwel 'microagressie'), of dat men mensen met meneer en mevrouw aanspreekt - wat vroeger gewoon beleefd was? Men noemt mensen die hiervoor overgevoelig zijn soms 'snowflakes' of 'woke': ze zijn alert voor situaties die vroeger ongemerkt passeerden... en relatief onschadelijk waren.

Deze discussie lijken objectief beschouwd niet complex, maar subjectief wordt het een andere zaak, precies door er de aandacht op te vestigen en er een fetisj van te maken. Opeens worden dit de halszaken, en dat kan de aandacht verdringen van andere thema's, zoals het klassieke preventiebeleid rond ongevallen en problemen van biomechanische aard (vb. musculoskeletale aandoeningen). In theorie hoeft dit niet en kan men tegelijk proberen om aan gevoeligheden tegemoet te komen of ermee te leren omgaan, maar in de praktijk is aandacht niet onverdeeld. Dan is de vraag welke problemen objectief ernstiger zijn: fysieke letsels die vooral lager betaalde, mannelijke arbeiders treffen, of mentale zorgen die vaker beter betaalde, vrouwelijke bedienden treffen? In mijn ogen is het een onrecht dat dit eerste over het hoofd gezien wordt, zonder mentale problemen te miskennen, maar tussen een burnout en het verlies van een hand is het gemakkelijk kiezen, en tussen het carpaal tunnelsyndroom en het ontbreken van gebedsmatjes nog gemakkelijker.

De vraag is waarom niet iedereen daar dan zo over denkt. Ieder schuift uiteraard het eigenbelang naar voor, en werknemers die sterker staan zullen hun gevoeligheden als gevoeliger kunnen voorstellen dan zij die zwakker staan. Dit is alvast een paradox. Daarnaast is het zo dat sommige problemen geïmporteerd zijn van buiten de arbeidssfeer: de maatschappelijke segregatie op basis van religie, toenemende bekommernis om seksualiteit en gender in een wereld die minder traditioneel is, en eenvoudigweg toenemende sensitiviteit omdat sensitiviteit niet teruggedraaid worden. Historisch perspectief verhelpt dit niet, en bovendien zijn er voor elk van de overgevoeligheden ook effectief uitwassen die een terechte gevoeligheid uitlokken: zo hoort een werkplaats geen gebedsruimte te zijn, maar het gebeurt ook dat werkgevers zich gaan inlaten met de geloofsovertuiging van mensen buiten de werkuren, en op basis daarvan gaan discrimineren, terwijl dat tot de strikte privésfeer behoort. Ook het respect voor diverse geaardheden en de gelijkwaardigheid van vrouwen en mannen zijn geen evidentie, maar de symbolische strijd die ervan gemaakt wordt gaat voorbij aan de democratisering die er al geweest is en ent zich eerder op algemene maatschappelijke ongenoegens. Het is goed mogelijk dat ze zelfs een gevolg zijn van de toegenomen stress op het werk zowel als in het privéleven, voorkomend uit toegenomen complexiteit van het leven op beide vlakken.

Het beleid moet zich echter focussen om problemen die door het beleid kunnen worden opgelost. Met genderneutrale toiletten worden psychosociale problemen niet van de baan geruimd: er is een pleister aangebracht op een open wonde die zich verder openrijt. Het is symbolisch lapwerk dat de gevoeligheden verder vergroot. Ondertussen kunnen we zeggen dat de 20ste-eeuwse problemen van een kleiner en minder mondig, lager opgeleid deel van de tewerkstelling over het hoofd gezien worden - wat op zich ook tot frustratie leidt. Dit zijn de mensen die door slijtage aan de gewrichten vanaf 50-55 jaar ongeschikt zijn voor de arbeidsmarkt en zich als een vergeten groep gaan manifesteren (cv. gele hesjes, Michel Houellebecq), en zich onbegrepen voelen zonder het even prozaïsch te kunnen uitdrukken als een jongere, vrouwelijkere, hoger opgeleide generatie dat met andere zorgen kampt. Het beleid moet de juiste prioriteiten zoeken, niet op basis van wie het luidste roept, maar op basis van wie het hardste lijdt. 

vrijdag 1 januari 2021

Coronavirus vaccination pricing

At this stage of the epidemic, we have increasing numbers of coronavirus infections, due to seasonality of the virus and slack on the epidemic control, both from the policy side and from the citizen side. At the same time, vaccination campaigns have become, and will eventually extinguish the virus, provided no new surprises pop up.

It is tempting to vaccinate as fast as possible, and almost at all costs. However, as firms are profit maximizing agents, production capacity is limited. If they were not, the recipe for coronavirus vaccines would be available at market prices to any market player willing to produce it. This would be welfare optimal. Now suppose firms wouldn't care about profits and countries were valuing lives saved infinitely more than the realisation of monetary added value in the pharmaceutical sector, then the vaccine recipe would be available for free. Of course, this is not the case, although the University of Oxford has convinced its producing partner AstraZeneca (which has little experience making vaccines) to sell coronavirus vaccines at cost price, and the Pfizer-BioNTech and Moderna vaccines have a similar pricing to influenza viruses - which is about ten times the Oxford-AstraZeneca price, begging the question whether the market is competitive. Probably not.

Either way, countries have put their bids for the coronavirus vaccines, and we are now seeing the winners and losers from this bid. Some countries are quick to approve the vaccines and pay higher prices than others. Rushing through procedures (at a potential cost in safety) and paying a premium price boil down to the same thing. It appears that rich countries that have individually negotiated prices, have faster access, but at a higher cost. Poorer countries without bargaining leverage would have slow access, at a high cost. Examples are Israel and the UK. Countries that group their purchases, notable the European Union, have lower costs, but slower access. There is little internal inequality between the countries from the EU. This means for Bulgaria or Portugal, it is undoubtedly interesting to join the coordinated purchase, but countries like Germany, Sweden, and the Netherlands may wonder whether it wouldn't have been more advantageous to order separately.

This is a game theoretical bidding problem. To begin with, assume demand for the vaccine is inelastic: any country wants it at almost any price. The propensity to pay is equal to the cost of a raging coronavirus epidemic. Supply, on the other hand, has a normal, upward slope. In absence of competition, the producer will be able to set prices far above the market equilibrium price. In itself, such disproportionate producer surpluses are not problematic, but the resulting inequality and the inability to share the welfare that has been generated, is. To play the game, suppose that countries can either put a low bid (L) at the equilibrium price, or a high bid (H) at a level above equilibrium. In absence of perfect competition, in order to avoid inequalities, the first-best solution would be to ensure countries bargain collectively and put low bids. However, single countries putting a high bid could undercut this strategy and leave the rest of the world at a massive disadvantage, as the the high-bidding country would be the only one disposing of full production capabilities. As a result, without coordination, countries will put high bids and will benefit from it individually, but if all countries do so, we end up in a second-best equilibrium.



donderdag 11 juni 2020

Stoppen met eten

Als ik terugdenk aan mijn kindertijd, wat toch al meer dan een half leven geleden is, dan ben ik vooral verwonderd over wat wij elke dag te eten kregen. Hoewel mijn moeder geen typische huisvrouw is, kwam er elke avond vers en gezond eten op tafel. De gewoonte om dagelijks te koken was overgenomen van de generaties voor haar, maar de kwaliteit was nog verbeterd. Ook de man des huizes deed overigens meer dan zijn deel in het werk. 
Spoelen we vooruit naar 2020, dan zien we een hele andere trend: mensen halen eten af via Deliveroo, slaan maaltijden over, laten HelloFresh aan huis bezorgen, spenderen minder tijd in de keuken. Het kan niet anders of de kwaliteit daalt, en dus ook de gezondheid van de burgers. Zelfs als ik eraan denk inspanningen te doen, kom ik er toch niet toe. Onze tijd is nog schaarser geworden.
Het is een klassiek probleem van Baumols cost disease: we worden niet of amper productiever bij het shoppen, terwijl de productiviteit op andere vlak toeneemt. Daarvoor worden we ingeschakeld, en als comparatieve specialisten gaan we onszelf ook meer op die andere terreinen toeleggen. Het resultaat, cru gezegd, is dat ik mijn geest voed, maar niet mijn maag.
Het beleid zou hier veel aan kunnen verhelpen, door een goede analyse te maken van dit huizenhoog probleem. Men kan bijvoorbeeld het aanbod aan bepaalde diensten of formules terugschroeven, normen opleggen, belastingen heffen, producten nudgen of de productiviteit in de keuken vergroten: de camionnetjes van Amazon verschepen nu vooral gadgets, maar misschien kan de groenteboer ook weer rondtoeren, deze keer buiten de kantooruren of op afspraak. Ik heb alvast een app hiervoor en laat anderen mijn boodschappen doen, maar ik moet mij nog over het schuldgevoel dat ik de shoptijd van een mindervalide afneem heen zetten. Graag betaal ik zelfs méér voor de dienst, of zou ik horen dat de winkel de shoppers beter kan betalen dan ander personeel (vb. omdat er minder verlies of diefstal is), dan mogen ze dagelijks langskomen met een verse lading.

Praktijktests op de woningmarkt

Er is in Vlaanderen grote druk om praktijktests uit te voeren op de woningmarkt, om discriminatoire praktijken op te sporen. Er zijn indicaties dat verhuurders migranten uitsluiten van een bezoek of eenvoudigweg niet toelaten als huurder. Dat is ontegensprekelijk het geval. Er is discriminatie, maar is het racisme? Een van de mooie zaken van markten is namelijk dat discriminatie er niét goed op plakt: waarom zou men op smaak differentiëren als men daarbij nutsverlies lijdt? Toch lijkt het te gebeuren.

Sociale huisvestingsmaatschappijen kennen dit fenomeen maar al te goed. Het heet statistische discriminatie, en hun verdienmodel is erop gebaseerd. Het komt erop neer dat een individuele verhuurder mensen met een migratieachtergrond ervan verdenkt minder voorzichtig met z'n eigendom om te springen, en geen schadevergoeding te zullen betalen als bij het beëindigen van een huurcontract blijkt dat er schade is aangericht (vochtschade, brandschade, vernielingen, verbouwingen, ... ). Er zijn geen goede studies naar - wat een eerste tekortkoming is in het debat - maar ervaringsdeskundigen gaan ervan uit dat dit waarschijnlijker is met migranten dan met autochtonen. Het is op zich ook niet onlogisch, omdat de sociale sanctie bij wangedrag groter is wanneer men een groter netwerk in de buurt heeft. Dat effect speelt ook op de arbeidsmarkt. Op basis van gepercipieerde probabiliteiten zal een verhuurder dus beslissen om hetzij een risicopremie te vragen, hetzij een groep potentiële huurders uit te sluiten. 

Beide gebeuren: wanneer een sociale huisvestingsmaatschappij onderhandelt, zullen ze immers de huurprijs substantieel kunnen drukken, in de grootteorde van 30% van de huurprijs. Men garandeert immers dat de eigen technische ploeg voor het onderhoud van de woningen zal instaan. Via de sociale verhuurmaatschappij wil men dus wél verhuren aan vreemdelingen, en zelfs onder de marktprijs, want de risico's vallen weg.

Nu is de vraag wat er zal gebeuren als de wetgever praktijktests invoert. De optie om een groep potentiële huurders uit te sluiten valt weg, dus de risicopremie zal toenemen en de huurprijs zal stijgen. Het is ook goed mogelijk dat de prijs als een uitsluitingscriterium gebruikt zal worden. In die gevallen zal er een inflatoir effect zijn. Anderzijds kan het ook zijn dat huizen van de huurmarkt gehaald worden en op de koopmarkt belanden, wat daar het aanbod doet toenemen, en de prijzen van onroerend goed, en dus de inflatie, dalen. Omdat de vraag naar huisvesting op zich inelastisch is, zullen migranten dan eigendommen moeten kopen. Hoewel de prijs gedaald is, zal de bank waarschijnlijk dezelfde redenering maken als de verhuurder, en in de interestprijs een risicopremie inbouwen. Men zal dat objectiveren door loonbrieven op te vragen en het spaarprofiel te bekijken, maar het resultaat zal hetzelfde zijn: migranten zullen zich enkel ondermaatse huisvesting kunnen veroorloven. Het inflatoire effect van restricties keert dan terug.

Ik zie vijf oplossingen, met een veel minder ingrijpende wetgeving dan praktijktests:
  1. Vergroot het marktaandeel van sociale huisvestingsmaatschappijen, creëer zo een monopsonie op het lagere segment van de huurmarkt, en laat de echte probleemgevallen nog steeds vrij onderhandelen zodat de maatschappijen de gewenste huurders zijn voor de huiseigenaars.
  2. Verplicht huurders een schadeverzekering af te sluiten, en verplaats de risicoinschatting van de verhuurder, die eenvoudige heuristiek gebruikt, naar professionele makelaars. Daarna kan men praktijktests doen om het effect van die wet op te volgen, niet om de verhuurders te bekeuren. Normaal zou er dan minder discriminatie moeten zijn ten opzichte van de nulmeting.
  3. Sta toe dat migranten een pseudonym gebruiken. Veel Aziaten, met name uit Hong Kong en Taiwan, hebben een geboortenaam en een verwesterde naam. Als daar het taboe rond sneuvelt, krijgt men het effect van een auditie achter gordijnen.
  4. Immokantoren en sociale huisvestingsmaatschappijen werken in België in opdracht van de verhuurder, voor wie er een kost aan verbonden is (een premie, dan wel een lagere verhuurprijs). Het zou goed zijn mochten er ook bemiddelaars voor de huurder zijn.
  5. Een (ver)huurdersboekje met referenties, naar allegorie met het beruchte werkmansboekje, waardoor men een (ver)huurdersscore kan voorleggen op basis van vorige (ver)huurcontracten.

vrijdag 17 januari 2020

Zotero labels

My system to label article in the reference manager:

By academic field

  • statistics
  • economics
  • econometrics
  • sociology
  • industrial relations (incl. collective bargaining)
  • ,,,
This could be automated, based on the journal.

By topic

  • wage curve
  • wage norm
  • inequality (incl. dispersion)
  • wage
  • income
This is generally in the keywords.

By focus

  • gender
  • age (incl. youth, elderly)
  • Belgium
  • Europe
  • Great Recession
  • ...
In other words: population, location, time period.

By kind

  • Empirical
  • Theoretical
  • Literature overview
  • Meta-analysis
  • Review or comment
  • Grey literature (annual reports, technical papers, discussion papers, working papers, etc.) 
The label grey is not really necessary: if the article is classified as 'report', it means grey. Often, however, those publications contain a mixture of approaches.

By quality


  • Classic (e.g. seminal)
  • Good
  • Bad
  • To do
At first, they're all 'to do', then just good or bad, or classic if it is a necessary reference in the strand of research.

dinsdag 29 oktober 2019

Groeigedreven inflatie, in mensentaal

Als er economische groei is, volgt inflatie, maar hoe kan je dat aan een leek uitleggen?

Stel je voor dat een producent z'n productiviteit met 10% kan opdrijven en alles verkocht krijgt aan de lopende prijs. Er zal dan meer liquiditeit nodig zijn, dus de monetaire basis moet vergroten, zoniet is er hetzij een overproductieprobleem, hetzij deflatie als de prijzen dalen. Dat zou leiden tot het uitstellen van consumptie tot de goederen lager geprijsd op de markt komen, of er in elk geval van uitgaande dat het geld dat opzij gezet is, in de toekomst meer waard zal zijn. Dit is destructief voor de economische groei.

De centrale bank heeft dus geen andere keuze, wil ze prijsstabiliteit garanderen, dan om geld bij te drukken zodat de groei mogelijk is. Aangezien voornoemde producent meer middelen heeft, kunnen zijn leveranciers en dienstverleners daar ook een graantje van meepikken. Zij verhogen hun prijzen, maar niet hun productiviteit. Het gevolg: de nominale economie groeit, maar de reële economie niet. Het verschil is inflatie, namelijk ontwaarding van de munt. De centrale bank kan dit binnen de perken houden door de rente te verhogen via een hogere interest op de reserves die de banken aanhouden, waardoor er meer gespaard wordt, of door via openmarktoperaties overheidspapier te verkopen, wat geld uit de omloop haalt en bedrijven verplicht om eigen obligaties aan een hogere rente te verkopen, aangezien het aanbod aan papier is toegenomen.

dinsdag 12 februari 2019

Tegen beter weten in

Na de spijbelaars, de stakers. Het politiek debat in België verplaatst zich woensdag weer naar de straat, en ondanks de lichte frictie die zoiets veroorzaakt, is er geen sprake van een crisis. Want hoewel we jaar na jaar qua stakingsdagen en protestmarsen andere Europese lidstaten het nakijken geven, leidt dit niet tot de chaos die bijvoorbeeld Frankrijk teistert, of de sociale verdeeldheid in de rest van Europa die de Europese Unie bedreigt. Onze protesten zijn namelijk niet revolutionair, maar moeten gezien worden als een drukkingsmiddel dat deel uitmaakt van democratische besluitvorming. Terwijl president Macron met town hall-meetings het sociaal overleg persoonlijk probeert over te nemen, hebben wij in België het kader en de traditie om dit op een georganiseerde manier te laten verlopen. Geen gele hesjes, maar groene, rode, en blauwe. Het twistpunt nu is in de eerste plaats het interprofessioneel overleg dat sinds de vernieuwde loonnorm sterk aan banden gelegd is: door een veiligheidsmarge van minstens 0.5% in acht te nemen en de lonen te koppelen aan de evoluties in Frankrijk, Nederland, en Duitsland, is de vooropgestelde maximale loonstijging 0.8% voor de komende twee jaar. De wet laat niets anders toe.

In het IPSWICH-project[i] in het kader van het Belspo-BRAIN onderzoeksprogramma bestudeerden we de problematiek van werkende armen met een institutionele bril op, en daarin komt de collectieve loonvorming centraal te staan. Johan Albrecht en Bruno Merlevede legden in De Standaard van 2 februari al de link tussen de opkomst van de werkende armen en de onlusten in Frankrijk, die een kostenplaatje van ettelijke miljarden en meerdere slachtoffers met zich meebrachten. Aangezien het loon van een Franse werknemer die meer dan het minimumloon verdient niet automatisch geïndexeerd wordt, ziet deze bij elke prijsstijging de armoedegrens naderen en dit voedt het ongenoegen. Omdat het sociaal overleg in België veel verder staat, zijn de lonen welvaartsvast en is het aandeel werkende armen al twintig jaar onveranderd bij de laagste van Europa. De loonnorm van 1996 was bedoeld als een manier om die ondergrens te vrijwaren, maar tegelijk een ontsporing van de loonkosten te voorkomen. Vanaf 2009 heeft men met crisismaatregelen de marge echter sterk gereduceerd, met daarbovenop het bevriezen van de index in 2015, en sinds 2017 is de loonmatiging wettelijk verankerd. Ons onderzoek heeft aangetoond dat daardoor de loonverdeling onaangeroerd is gebleven: ook sectoren met minder groeimarge gingen immers de loonnorm vooropstellen. Als de vraag naar deze producten en diensten niet erg prijsgevoelig is, hoeft dat geen probleem te zijn.

Toch is de krappe loonnorm een onnatuurlijk gegeven: enerzijds worden de sectoren en bedrijven in slaap gewiegd of gaat men op allerhande manieren proberen de loonnorm te omzeilen, wat tot niet-geobserveerde ongelijkheid leidt, en anderzijds kan je geen stabiel loonaandeel in het BBP bekomen wanneer de groei van lonen geplafonneerd is maar de groei van kapitaalopbrengsten niet. Dat is geen duurzaam scenario dat men op Europees niveau kan veralgemenen zonder opnieuw op een crisis af te stevenen.[ii] Een minimale marge om economische groei om te zetten in brutoloonstijgingen en niet in cheques, auto's, aanvullende pensioenen of winstdeelnames, zou het sociaal overleg activeren en efficiënter maken, en het laat zelfs een verlaging van de belastingsvoeten toe. Binnen het keurslijf van de huidige loonnorm is zo'n vereenvoudiging evenwel onmogelijk. Meer principieel kan men zich afvragen of het niet in strijd is met het subsidiariteitsbeginsel om de loonvorming quasi volledig aan de overheid over te laten, met één vaste norm voor de hele economie, die enkel gericht is op kostencompetitie. De loonnorm is vaak geïnterpreteerd als ruggensteun voor de werkgeverszijde, maar geldt dit nog met de huidige arbeidsmarktkrapte, en wat als er geen akkoord komt? De sociale partners hebben er dus beide belang bij hun onafhankelijkheid terug te winnen. Alvast de vakbonden laten straks van zich horen, in navolging van de scholieren, tegen het beter weten in.

[i]Ipswich-project gefinancierd door Belspo-BRAIN (2018): 'Werkende armen en veranderingen in werk, inkomen, en de gezinssamenstelling'
http://www.belspo.be/belspo/brain-be/themes_4_Strategic_nl.stm#IPSWICH https://hiva.kuleuven.be/sites/ipswich

[ii]CAWIE III 'Inclusive Growth in Europe after Austerity' (2018), gefinancierd door de Europese Commissie https://hiva.kuleuven.be/sites/cawie3

vrijdag 1 februari 2019

Billionaires

It seems that in the world today, the 1% are escaping their responsibilities. They cannot get away with only philanthropy – billionaires should pay "a fair share" of taxes, which means higher marginal taxes on wealth. At the Davos summit, Rutger Bregman referred to the 91% income tax under Eisenhower.

Others will counter that the Laffer curve needs to be taken into account: at some marginal tax level, tax avoidance will become an issue. Sure, but we also got technology to counter this issue that Laffer didn't have at his disposal.

So naturally I'm in favour of taxation, for the simple reason that income inequality should be limited in order to maintain social equality and an inclusive economy to which each can contribute and in which each can consume. This is even a condition for growth.

Yet I don't agree with the 1% rhetoric. Instead, I believe that as organizations, enterprises, and people acquire wealth over certain thresholds, their influence expands for good reasons. The market is also some form of democracy, and as with other forms, like the electoral meritocracy, it has its pitfalls. However, with great power comes great responsibility. The accountability of the rich should go beyond paying taxes. They have an exemplary function and should contribute to society in a positive way, and this is a matter of morals but also of monitoring. The 1% should work together with the state to provide for the 99%.

Then I don't see a clear distinction between a national bank that takes money out of the economy to increase interest rates, and a single person or organisation that does the same. Then I don't see a difference between schooling projects funded by a government agency, or by a committee nominated by the 1%. Of course, it is not just that a very small number of people are a millionfold better off than a very large number of people, and when I say that they should provide for them, I mean that they should. In the same way, the people can accept or overthrow a king. The 1% should deliver or go down. What you pay to them is just an additional tax, and you should expect value for money, just as you expect from the State.

The real issue is uncontrollable wealth that distorts social life: an elite of 10% to 20% that enjoys the pleasures of this world based on exploitation of the ones below. They should be taxed more, because we expect the morals, but less the actions that we expect from the 1%. Let's call this group the 19%, and let them not believe they are the 1% in the making. They will never be if they don't occupy a natural monopolist position, as Google, Facebook, Microsoft in the digital world do, and a limited number of car manufacturers and petrochemical companies in the manufacturing and utility sector. The latter are identifiable, the former are anonymous but perhaps more pretentious. We can just take the yacht.

donderdag 25 oktober 2018

Four conditions for social dialogue

What makes collective bargaining work and what makes it worthy of institutional support? In a recent EU workshop, we have been discussing the case of Belgian and also possible lessons for other EU Member States. I will briefly summarize the discussion and draw my personal conclusions.

The social dialogue construction

I like to compare social dialogue with a simple building that has four walls and a roof. Most people will agree that a roof is almost sufficient as a shelter, but it needs the walls to support its function. Note that at the heart of social dialogue, which is bipartite (between employers' federations and trade unions) or tripartite (adding the state or government), there is always some form of collective bargaining. The terms are therefore often interchanged.

Coincidentally, we came up with four conditions for a solid structure for social dialgue:

1. Representativeness

This answers the question of who is sitting around the table. The legitimacy of social dialogue depends on the position of the participating actors. For instance, the unionization rate should be high enough to show the force of collective action, while the employers' density rate equally should be high to ensure enforcement of the agreements and no undercutting by rogue employers. It could be that the actors involve only represent a part of the economy or a limited number of companies.

2. Rules and procedures

Social dialogue can be an informal or a formal matter, but it should ideally take place within a legal or paralegal framework that sets out the structure, procedures, and rules. This should be clear, transparent, and with some degree of universality. In closed shop negotiations, the rule is that what is negotiated, only affect affiliated parties, and no other parties (e.g. non-unionized workers) are allowed. More developped collective bargaining has a much wider scope, leading to agreements that are binding to all parties, even non-affiliated, through legal extension. This means that the agreements, which essentially are private contracts, obtain the status of a law. This is the material aspect of social dialogue, answering the question how dialogue is done.

3. The process

The rules and procedures are an empty box that needs to be filled. This happens through a process of negotiation, and the contents answer the question what is the stake in the game. This is rather intangible, and relies to the influence the parties have, the sense of ownership and responsibility, the shared goals and trust in the system, and the ability to reach a consensus or compromise. Beside the fact that collective bargaining is essentially a power game, social dialogue also relies on a mutual understanding.

4. The outcomes

Social dialogue is sometimes an end in itself, ensuring information and communication about decisions that are taken by the organization, and allowing some codetermination. It may also reach further, contributing to the interests of an economic sector or the national economy, as well as other social goals (inequality, poverty, democracy). Social dialogue is justifying its existence by answering the question why it takes place. This also implies a cost-benefit calculation: as negotiations take time and take away individual degrees of freedom, which are replaced by collective arrangements, the benefits should compensate the losses. An easy example is an agreement that would need to be negotiated in every company and lead to similar results, is better done just once. Also, some agreements would be preferred by most companies if all others would do the same, but avoided if there was no guarantee that this would take place. For instance, higher salaries may respond to the reservation wage of workers, but a firm that implements the higher wage would be outpricing itself on the market, while others continue a practice that leads to a loss in the workforce and therefore for the sector, but at least manage to survive another turn.

Lessons for Belgium

The Belgian system of collective bargaining is a well-known archetypical example of post WW II social dialogue. It is the end of a buildup that actually started after WW I, where the working class organized its interests against the power of the ruling capitalist class. It is also a compromise between two ideologies: on the one hand a militant socialist movement that strives for a revolution, and on the other hand the corporatist, Christian, anti-socialist and even fascist idea of a common interest between workers and employers. It is a little known fact that indeed the nazi's spurred employee participation of employees in the workplace during the occupation of the country. Yet both the elements of opposition and interdependence are present as it is. For instance, collective action (strikes) is less constrained as in other countries, and trade union representatives are protected against dismissal, while at the same time, trade unions are represented in the OSH committee, in the company council (but without decision power), in sectoral and national joint committees and tripartite bodies.

An interesting observation is that the 'outside options' currently go in two directions. On the one hand, there is popular protest and the threat of striking, on the other hand, there is the state that represents the interests of the ruling class. As a side note, this is a critique of the state that liberals and socialists share, although the former are accused of being 'neoliberal' (e.g. effectively using the state to manipulate the free market), and the latter of being 'statist' (e.g. aiming for a maximal state), which is twice correct.

Either way, although social dialogue / collective bargaining is very well organized and institutionally integrated in Belgium, it's independence is not absolute. Even if it never was, and some 'grease' to facilitate bargaining has often been necessary, today this takes a legal form that explicitly constrains collective bargaining: because of a lack of trust by the 'third party', the state imposes a number of laws and procedures (e.g. on wage growth, training plans, ageing plans, gender inequality. To the outsider, or to the social partner that benefits from the state option, even if it is an agreement of last resort (in which case the negotiator only loses time by not reaching an agreement in his favour), this may seem wise. In reality, it is a loss of sovereignty and independence of collective bargaining, taking away the benefits of the system and mainly its flexibility, as the government is only a remote player. However, it is not only the lack of trust by the government and its ambition to plan the economy that reduces the scope of collective bargaining, but also the belief of the social partners themselves that collective bargaining will deliver the desired results or that a consensus or compromise is possible. Hence there is a couple of bricks missing in the third wall (the process), as they have been used to fortify the second (rules and procedures). The roof is still on the building, but it is more unstable now.

Lessons for Europe

The problem of best practices is that there is a reason why institutional structures have a certain form, and therefore a nice dress doesn't always fit on someone else. This is the functionalist view but it should not take away the ambition to converge. Yet it should be clear that the practices of Belgium, Germany, and the nordic countries cannot be immediately introduced in, for instance, the new members states with a much weaker tradition of social dialogue. Even if all parties would agree that the building consists of those four walls and a roof, and then allows social and economic development, there are no incentives to start building it if there are no immediate gains.

This perspective is most often totally lacking in the political discourse: the reason why workers join a trade union is not macro-economic growth. A union has three functional levels: the first, as a service provider; the second, as a representative organization; and the third, as a social actor. The first level, services, is what matters most: trade unions provide legal protection, voice at the workplace, and in the case of Belgium, do the administration of unemployment benefits, and aid in the shifts from and towards sickness leave, training, and retirement. The second level is, representation, is more important from a legal and institutional point of view - concluding agreements - but in countries where this is all that remains of workers' organization, it quickly fades out because of free-riding tendencies. The third level, social action, is ideological, and relates in part to the origins of the trade movements: one from the revolutionary socialist movement, one from the corporatist christian movement, and one from the liberal movement that recognizes the freedom to organize interests. At the third level, trade unions also contribute to democracy,  as the main player in the civil society, with a more direct link with the members in contrast to political parties that are periodically elected and where no membership fee is required. Hence, the vote that workers cast is 'voting with the feet', a saying by Lenin that was taken up by Tiebout and many scholars (Hayek, Friedman, Hirschman) later on.

Hence we should be careful on the one hand not to confuse the origins and the structure of the system (the Althusser argument). Other countries will not replay the history of Belgium, nor will it be possible to directly copy the structure, even if they have the finished building in mind. However, too often the statements of either party, whether it is the state, the trade unions, or business organizations, is that institutional traditions are too different and welfare state levels cannot be generalized, so that nothing should be undertaken. This goes beyond the fact that good ideas don't stop at the border and beyond the need for higher-level coordination of social developments in a unified economical sphere. Rather, a number of steps can be set to build up the four walls, so that already they provide shelter against the wind, if not against the rain. For instance: workers can gain influence at the company level, and discussions on OSH can lead to more safety as a direct outcome that is more efficient than legal formalism. Rules and procedures are developed on the go, and representativeness is an endogenous outcome when gradually more rights are given to the parties. In other words: the stepping stones are building bricks. The role of the state is rather to nudge and facilitate than to impose practices that lack foundation. This is not only the case in developing systems of social dialogue, but also, as outlined above, in mature regimes.

vrijdag 14 september 2018

The labour share and disemployment

A Spanish unionist asked me what happens if productivity increases because of disemployment. Would the 'wage rule' still hold? The wage rule is that wages should follow productivity and inflation, in order to keep the wage share constant.

The answer is yes, because the composition of the work force and output have both changed. Suppose low-paid, low-productivity workers were dismissed, then the output per worker will increase, but as the high-productivity workers are already better paid, this implies a natural increase of the average wage. You don't have to negotiate anything. However, if there is an additional increase in productivity, because of productivity enhancing investments, that would be the basis for wage claims.

This choice implies that you stick with the 'single productivity' measure. Wage claims in one, suppose a labour-intensive, sector based on overal productivity growth will cause the labour share in that sector to further increase. Now, on the demand side it does not matter which sector delivers the disposable income, but at the labour market, deviations from the sectoral labour share derive from the production technology (the amount of capital and labour that is optimal for any production level). This implies that a shift in the structure of the economy will create imbalances: suppose well-paying sectors would entirely disappear and only the car industry remains with high output but low wages, then there would not be enough disposable income and either car prices would drop or wages should increase.

maandag 25 juni 2018

Marx' chicken and egg problem

Although I have read Capital, Vol. I, and I would recommend everybody to do so, it is actually very light on theory, and I never gave the economics much thought. My suspicion has always been that the so-called revolutionary economics of Marx was a description of value in equilibrium on a competitive market.

I am sure others have devoted proper attention to Marxist economics, but for the sake of amusement, and also because of the tiring ridiculous critique that a labourer can increase the value of its produce, according to Marx, by spending more time making it, I want to give it a try.

In economics, for profit maximisation, the first order condition for labour is that the wage (marginal cost) is equal to the marginal product (marginal revenue). This is very understandable: if an additional worker delivers more then he costs, the employer is most interested in recruiting the worker. Also, every worker before the last worker has delivered a greater discrete revenue, because of the law of diminishing returns, so that if all workers are paid the last (and highest) wage, the firm is still profit maximising.

Actually, this is a nice side-step: the firm has no other choice but to pay all workers this wage. The simplest example is when there are competitors, where workers can go to earn the equilibrium wage. In other words, and individual firm is a wage-taker,  and faces a perfectly elastic labour supply curve. But also in the case of a monopsony, the worker may quit the firm to be recruited back at a higher wage. What this implies is that the marginal cost of hiring an extra worker is actually above the supply curve. This is the reason monopsonists hire less workers at a lower wage, increasing their welfare but reducing overal welfare.

Either way, on the labour supply curve, the wage claims of workers are given. A worker will individually offer more working time for higher earnings. The price of one hour of work is the value of one hour of leisure. So anybody who claims that propensity to pay is the driving force of value is right and wrong at the same time: it is correct, but it can also go back to time and the willingness of employers to buy it from workers. And the employer is willing to pay according to the willingness of the consumers to buy the products produced. Hence it is a chicken and egg problem.

However, imagine a product is not in high demand at all, but requires exactly the same skills and schooling another product requires. The propensity to pay will be very low, and the product will not be produced, because the labour can be put to use  for another product at the desired wage level desired.

But then what defines the value of one hour of leisure? This might depend on what can be made and earned in that hour, which depends on what the consumer is willing to pay. Yet at the same time, it increases with schooling, that is a time investment, both of the worker and of his teachers. This investment has to be bought. Hence in both directions, again, we see that the product values the time, and time values the product. To me there appears to be no contradiction. One should know that the discipline of economics has evolved and great theories are now summarised in understandable graphs. The prosaic theories however, much like many continental philosophical ideas today, did not make the assumption as explicit and the interconnections between different markets as clear as do economic theories nowadays (or better, in a recent past, because the complexity of new theories has obscured the explicitness of assumption). Some people prefer that tradition, perhaps for political reasons, but for me it's not worth my time.

woensdag 23 mei 2018

Super Mario en het pensioen op punten

Toen de drievoudige ex-wereldkampioen Mario De Clerck besliste om op zijn 50ste te stoppen als sportdirecteur in het veldrijden, verwees hij naar zijn voorgangers die geen eeuwig leven beschoren waren: "ik weet wat zij ervoor hebben gedaan, en hoelang zij van hun pensioen konden genieten, en ik weet wat ik voor de sport heb gedaan." Een goed verstaander begrijpt dat de medische begeleiding van topsporters niet noodzakelijk levensverlengend is.

Mario De Clerck zal zeker nog tijd nodig hebben om te schrijven aan zijn langverwachte novelle op basis van zijn fictief dopingdagboek, en hij maakt de juiste redenering: in plaats van alle burgers een gelijke loopbaan te geven, kunnen we hen misschien beter gelijkstellen in de periode waar men kan genieten van z'n oude dag. Tijdens de loopbaan moeten dan compensaties gegeven worden voor de effecten op de levensverwachting van een slopende baan.

Dat levert twee problemen op: ten eerste weet men niet precies wanneer men gaat sterven en is dat op zich een taboe-onderwerp, ten tweede is dit niet één-op-één aan een beroep te linken. Het huidige debat over zware beroepen gaat daarom over de verschillende pensioenleeftijd voor verschillende beroepscategorieën, maar negeert verder het feit dat hetzelfde beroep tot een verschillende fysieke en mentale belasting kan leiden. In het pensioensdebat is er daarom ook niemand die een plan heeft om de werkenden effectief in staat te stellen om te blijven werken tot de verhoogde pensioenleeftijd.

Hoe kan het wél: stel je voor dat we de wielersport als een aberratie blijven beschouwen, maar andere werkenden vanaf 55 de vrije keuze laten om op pensioen te gaan. Daarbij krijgen ze een basispensioen dat gekoppeld is aan de levensduurte, en een bijkomende verdeling van de pensioensafdrachten volgens het puntensysteem. Als men 40 punten heeft verzameld, tegenover een gemiddelde van 60, dan krijgt men dus 2/3de van een gemiddeld pensioen. Dit bedrag is ook nog eens degressief: na 15 jaar is de pensioenspremie bovenop het basispensioen uitgedoofd. Er staat dus een soort gelijke limiet op de pensioensduur. Bovendien kan men het repartitiesysteem altijd bekostigen, en heeft elke generatie er baat bij de beste economische structuur achter te laten om de koek te vergroten waar men later aan knabbelt.

Wat is het gedragseffect van zo'n systeem? Vooreerst zal iemand die langer denkt te kunnen werken, dit vrijwillig doen: hij of zij kan meer punten verzamelen, en zal verwachten minder lang op enkel het basispensioen aangewezen te zijn. Een andere werknemer zal echter door gezondheidsrisico's een lagere levensverwachting hebben, wat zich vertaalt in een hogere prijs van vrije tijd naarmate de jaren vorderen, en dus een hoger reservatieloon. Als het loon dat niveau niet haalt, zal men uit de arbeidsmarkt stappen, en kan men nog enig genot hebben van z'n pensioen. Mocht dat langer duren dan verhoopt, dan is de extra tijd mooi meegenomen. Bovendien zijn allerlei flexibele scenario's mogelijk waarbij men terugkomt uit pensioen en alsnog een paar jaar werkt. Om werknemers met een zware baan langer in dienst te houden zal de werkgever dus ofwel de arbeidskwaliteit moeten verbeteren, ofwel het loon moeten verhogen. Dat klinkt toch als een normale logica, ook voor veldrijders. In de huidige omstandigheden wordt hij tegemoetgekomen door de overheid, die een vroegere uitstap zonder meer goedkeurt, maar daarbij alle werkgevers en werknemers over dezelfde kam scheert. Het hele debat over burnout, stress, en de algemene jobkwaliteit belandt zo weer in de onderste schuif van het sociaal overleg, en de hoogproductieve Belgische werknemer zal blijven werken tot hij erbij neervalt.






Wage indexation

I am personally much in favour of automatic wage indexation. This is often regarded as a rigidity and therefore as something bad. I don't quite see why.

Suppose you do not adjust wages to price levels. That means when there is inflation, labour supply should drop. The immediate result is a loss of welfare. Sure, this will lead to (individual) negotiations and maybe improved allocation in different jobs, but if not too much changes, you have menu cost only to end up in the same equilibrium.

Another way one might look at it is believing labour supply is totally inelastic. In that case, a drop in the real wage only changes the distribution of income, shifting the worker's surplus towards the employer's surplus. Granted, some people believe people should work at any price. There is no notion of freedom or even of a labour market in such a case. Furthermore, this price is then supposed to be set on a world product market, hence fully exogenous, which wouldn't exist for labour - so there could be no economic migration. This is not what we see in the world today.

Of course, if a single company would adjust the wages of it's employees to inflation, others would free-ride and undercut its position, taking the market. Therefore sectoral collective bargaining agreements are ideal. Another option is to organise indexation state-wide, but then second round effects (wage-price spirals) are more likely: indeed, if firms know that disposable income will change by two percent, they will be very inclined to increase prices with the same two percent. In case the adjustment is not timely or uniform, there is less temptation to do so. Obviously it is not fully true that disposable income increases, because prices have already increased when wages are adjusted.

Finally, the allocation issue in fact shifts from worker allocation to firm's market share when all wages are adjusted and prices cannot be increased. This implies other compensations: lower profits, more innovation, wage compression, etc. This might either be within firms, or through the composition of the population of firms, which is known as creative destruction, as coined by Schumpeter.

In the end, that is what competition in the real, not nominal, world is about.


maandag 30 april 2018

Stakingen met blokkades, moet dat kunnen?

Vooreerst: zijn stakingen altijd terecht? Welnee. Zijn ze gewenst: ook niet, overleg is altijd beter. Zijn negatief voor de economie: evenmin, als conflict uiteindelijk leidt tot een oplossing, is dat doorgaans beteren dan het op z'n beloop te laten. Omdat iedereen verliest bij een staking, is er steeds een incentive om zo snel mogelijk een compromis te vinden (dit is Hicks' paradox). Ook de organisatiekracht van vele werknemers met individueel weinig onderhandelingsmacht, tegenover een beperkt aantal werkgevers met elk meer onderhandelingsmacht, zorgt voor een balans in de arbeidsverhouding. Daardoor zal bijvoorbeeld de loonratio stabiel blijven.

Vandaag in België stellen weinigen nog het stakingsrecht in vraag. Men richt zijn pijlen op het de dee rechtspersoonlijkheid van vakbonden, de clausules voor sociale vrede en de uitbetalingsfunctie, en het zogenaamde recht op werk. Ik ga na tot op welke hoogte de kritieken terecht zouden kunnen zijn.

In België hebben vakbonden, zoals feitelijke verenigingen, geen rechtspersoonlijkheid. Men kan dus de vakbond niet verantwoordelijk stellen voor de vakbondsacties waar ze toe oproept. Omgekeerd zal het stakend vakbondslid in de verdediging kunnen oproepen dat hij of zij handelde in groep en individueel niet alle verantwoordelijkheid kan dragen in het geval er een overtreding van de wet plaatsvond. Dat creëert rechtsonzekerheid en zal veroordelingen voorkomen, tenzij uiteraard de ernst van het misdrijf dermate hoog is dat het niet aan een groepsactie kan worden toegeschreven, zoals moord. Mochten vakbonden wel rechtspersoonlijkheid hebben, dan zijn ze vrij gemakkelijk monddood te maken, omdat ze zich per definitie in conflictgebied begeven waar de leden de grens van het legale zullen opzoeken. Bovendien kanaliseert de vakbond de sociale onrust. Mocht zij er niet zijn als spreekbuis van de werknemers, dan zijn sabotageacties net veel waarschijnlijker. Als men het sociaal conflict wil beheersen, is het dus verstandig om de vakbond in leven te houden.

In veel sectoren is er een clausule voor sociale vrede gekoppeld aan een vakbondspremie. Dat betekent dat wanneer het akkoord gerespecteerd worden, de vakbondsleden een premie krijgen die betaald wordt door de werkgever, en die voor een deel het lidmaatschap van de vakbond compenseert. Dit is een specifiek kenmerk van het Belgisch sociaal model, waarbij de werkgever omzeggens de werknemer aanmoedigt om lid te worden van een vakbond. De premie wordt betaald uit een sociaal fonds, dus het is niet zo dat de werkgever een individuele werknemer zou kunnen ontraden van dat recht gebruik te maken om kosten te besparen. In Nederland is er ook een dergelijk 'afkopen' van sociale vrede, maar daar ontvangt de vakbond, en niet het lid, de middelen, waardoor de perceptie van korting op het lidmaatschap niet bestaat.

Nu is er toch een probleem met deze clausule: namelijk dat ze nooit afgedwongen wordt. Als de vakbond de sociale vrede niét respecteert, zouden er geen premies mogen worden uitgereikt. Dat gebeurt in de praktijk zelden of nooit, waardoor een deel van de functie van de vakbondspremie komt te vervallen.

Een tweede aanmoediging voor vakbondslidmaatschap is het feit dat in België vakbonden uitbetalingsinstanties zijn voor werkloosheidsuitkeringen. Men kan zich afvragen of dat enig nut heeft, aangezien het recht op een werkloosheidsuitkering niet afhangt van het vakbondslidmaatschap en er ook een hulpkas voor werkloosheid is die door de overheid wordt ingericht. Er zijn twee redenen om dit toch te behouden. De eerste reden is dat de vakbond optreedt in functie van de maximale rechten van de werknemer, en de hulpkas in functie van de minimale plicht van de overheid. Aangezien het arbeidsrecht een kluwen is, betekent dit dat de werkloze sneller een volledige werkloosheidsuitkering zal krijgen wanneer hij of zij lid is van een vakbond. De tweede reden is volstrekt parallel met de vakbondspremie: het feit dat de vakbond wordt ingeschakeld voor de begeleiding van de werknemer doorheen de carrière, van scholier tot gepensioneerde, over studentenjobs, tewerkstelling, en werkloosheid, is een keuze voor een bepaald sociaal model. Ook de ziekteuitkering, via de mutualiteiten, is historisch verzuild. Aan de werkgeverskant zou een gelijkaardig stelsel denkbaar zijn mochten sociale secretariaten gelinkt zijn aan sectorfederaties, maar dit is niet het geval. Desalniettemin, hoewel perfect substitueerbaar door een efficiënte en geautomatiseerde overheid, zorgen extra functies voor de vakbond ervoor dat het lidmaatschap geen motie van wantrouwen is tegenover de werkgever, maar een rationele keuze in functie van het eigenbelang op lange termijn.

Het laatste en meest actuele punt van kritiek is het zogenaamde recht op werk. Er is inderdaad een ILO richtlijn, en zelfs een artikel in de UVRM, dat het recht op werk stipuleert. Werk geeft betekenis aan het leven en verschaft bestaansmiddelen. Een slechte verstaander begrijpt hieruit dat élk werk dit garandeert, en dat werken daarom op élke dag mogelijk moet zijn. Het is een drogreden om blokkades tijdens stakingen, waar werkwilligen de toegang tot de onderneming wordt ontzegd, te veroordelen. Vooreerst moet men het recht op werk begrijpen als het recht op waardig werk. Men dient ook het sociaal overleg te begrijpen als de democratie die waardig werk reguleert. In dat opzicht is staken een middel, als alle andere zijn uitgeput, om dit recht op werk en waardige werkomstandigheden af te dwingen. Ik vergelijk het met een huwelijk: hoewel er een huwelijkscontract is, moeten beide partners erin blijven geloven. Het recht om samen te blijven, de eed tot trouw, is niet veel waard als het leidt tot dwang. Idem met een arbeidscontract: men kan van het recht op werk geen plicht op werk ten allen prijze maken. Een staking is dan een tijdelijke onderbreking die de ruimte geeft om de waarde en de waardigheid van de arbeidsrelatie te herbekijken.

Maar er is meer. Hoger heb ik aangehaald dat de vakbond werknemers met een zwakke onderhandelingspositie organiseert, de krachten bundelt. Hoewel het staken een recht is, zal de werkgever dit een werknemer vaak niet in dank afnemen. Een ontslagmotief is in de daaropvolgende periode gemakkelijk gevonden. Werknemers die vrezen voor hun job zullen dus niet werkwillig zijn omwille van hun recht op werk, maar net om ze vrezen dit te zullen worden afgenomen. Dat is de meest logische interpretatie, en het getuigt van totale wereldvreemdheid om dit anders te zien. Want bij een staking zijn het enkel de stakers die hun inkomen verliezen, deels gecompenseerd door een stakingsvergoeding, niet de werkwilligen die verhinderd zijn door overmacht. De beste bescherming is er ten andere wanneer het piket wordt opgezet door vakbondsleden van een andere onderneming: dit dwingt werkgevers om het collectief overleg een kans te geven, en beschermt werknemers tegen hun werkgever.

Kort samengevat zijn de meeste kritieken op de positie van de vakbond een onrechtstreekse poging om het stakingsrecht te ondermijnen en een rechtstreekse poging om de onderhandelingsmacht van werknemers te verkleinen. Alleen wat de clausule voor sociale vrede en de rol van uitbetalingsinstantie betreft kan men zich afvragen of een deel van het nut hiervan niet is komen te vervallen, en of het niet mogelijk is om daadwerkelijk een prijs op sociale vrede te zetten en efficiënt werkloosheidsuitkeringen uit te keren zonder non-take up, en tegelijk nog genoeg incentieven te geven voor de werknemers om bij een vakbond aan te sluiten.

vrijdag 27 april 2018

Higher wages or more jobs to reduce poverty?

There is a somewhat twisted consensus around the fact that minimum wages do little about poverty, and also have no effect on employment. Why then would we raise them?

Poverty, for many, is a household concept. The loss of income by any family member will pull all family members into poverty. This is of course true and the impact of minimum wages on career interruptions is difficult to establish causally.

However, another line of reasoning would be to wonder what wage structure would exist if the labour market was entirely unregulated. It is obvious that just about any job might exist, if there would be no drawback position such as social security, and low reservation wages. In the current globalized economies, this is very likely. In more remote, nordic economies, this used to be less so. Combining high schooling and high bargaining coverage and unionization, in-work poverty has not been a challenge.

Besides migration and the downgrading of the workforce, the pressure on benefits, and hence the lowering of the reservation wage, technological change and in particular job polarization is also fuelling the growth of the low wage segment.

If we look at the role of wages in reducing poverty in the past, this is perhaps not as important as it will be in the future.

donderdag 26 april 2018

Beter één enkelvoudig statuut

In België blinken we uit in bijbouw: er zijn vele institutionele tuinhuisjes opgericht voor arbeiders, bedienden, uitzendkrachten, vaste contracten, vaste benoemingen, aanstelling bepaalde duur, studentenarbeid, flexi-jobs, etc. Ze hebben een verschillend ontslagrecht en opzegtermijnen, verschillend vakantiegeld, verschillende sociale bijdragen, en noem maar op. Het resultaat is dat een standaardovereenkomst ontmoedigd wordt én voor investeerders zeer oninteressant lijkt. België heeft dus ogenschijnlijk een hoge belastingdruk, die weliswaar ontsnapt door de achterpoortjes van de tuinhuisjes.

Waarom kan het niet eenvoudiger, met slechts één type arbeidscontract, dat gelijk is voor arbeiders, bedienden, ambtenaren en uitzendkrachten? Er is één type opzegtermijn dat in onderlinge overeenkomst kan worden bijgesteld. Uitkeringen volgen automatisch en zijn afhankelijk van het aantal gewerkte uren. Dit zou ongelofelijk veel administratie en fouten voorkomen, zonder aantoonbare nadelen. Uitzendkrachten of studenten krijgen precies hetzelfde contract en betalen dezelfde bijdragen, en kunnen zo tien contracten bij hetzelfde bedrijf hebben in twee jaar tijd, en een maximum van twee jaar werk voor een bedrijf, waarna geen nieuw contract meer kan worden gesloten. Wil men uitzendarbeiders vaker inschakelen, dan kan dit mits een standaardcontract met het uitzendkantoor.

Dit zou de grootste flexibilisering van de Belgische arbeidsmarkt zijn, terwijl het de werknemers net méér zekerheid biedt en de bedrijven transparantie.