donderdag 23 mei 2024
Entropy in social dialogue
woensdag 13 juli 2022
Belastingen op technologie?
Vandaag lezen we dat de gemeente Sint-Jans Molenbeek een belasting gaat invoeren van 5600 EUR per zelfscankassa. Dit is opmerkelijk – enkele bedenkingen.
Eerst en vooral moeten we kijken naar de motieven voor een belasting: dit is enerzijds het financieren van overheidstaken, die we kunnen definiëren als taken van algemeen maar niet van particulier belang. Scholen moeten er bijvoorbeeld altijd zijn, ook als jij of je kind niet naar school gaat. Anderzijds worden belastingen ook gebruikt om te ontmoedigen: motorbrandstoffen, vervuilende verpakkingen, alcohol en tabak worden bijvoorbeeld zwaar belast, en de BTW op renovaties is lager dan die op nieuwbouw, met de bedoeling om het gedrag te sturen. Idealiter belast men economische factoren met een inelastische vraag, zodat de belasting het gedrag niet verandert, of die factoren die ongewenst zijn. Economische factoren in dit verhaal zijn productiefactoren (arbeid, kapitaal, technologie, en grondstoffen), vermogen, transacties, consumptieproducten, en dergelijke.
De gemeente Molenbeek is één van de armste gemeentes van het land. Een gemeente int geen personenbelastingen, maar veel valt er ook niet te innen met een hoofdzakelijk inactieve bevolking. Er is echter wel enige economische activiteit en men kan gemeentelijke opcentiemen nemen op onroerend goed.
Niet lang geleden heeft Molenbeek al een belasting geheven op de toeristische sector. In feite spreken we van één groot hostel (Meininger), want veel ander toerisme is er niet. Deze belasting is eenvoudigweg het spijzen van de gemeentekas, ervan uitgaande dat het hostel niet zal wegtrekken, maar ook dat er geen nieuwe meer zullen komen, want die zouden door de taks worden ontmoedigd. De belasting op zelfscankassa's daarentegen is eerder bedoeld om het gedrag te sturen richting persoonlijke bediening en dus jobs en sociaal contact. Althans, dat zegt men toch expliciet.
In mijn ogen is de maatregel ondoordacht. Ten eerste is er het welvaartsperspectief. Als bedrijven de productiviteit van werknemers kunnen verhogen wordt er meer meerwaarde gecreëerd. De winst vloeit terug naar de economie of kan je belasten zolang dat gecoördineerd gebeurt. Lasten op winst, zonder de mogelijkheid om activiteiten te verplaatsen, leidt immers niet tot het ontwijken van winstgevenheid - toch niet zolang er ook voor de ondernemer winst overblijft. Theoretisch zou je met andere woorden verwachten dat bedrijven die beter presteren dankzij technologie juist méér personeel gaan aanwerven, al zij het dan voor niet-automatiseerbare taken, of het bestaande personeel meer kan betalen. De spillover naar de gemeenschap is dan het sociaal contact tijdens de productie in plaats van tijdens de consumptie, en het rijkere culturele leven dat samengaat met de toegenomen welvaart, zowel via de persoonlijke inkomens als via belastingen.
Natuurlijk kan kapitaal ook gemakkelijk wegvluchten en zo de returns doen verwijnen, of kan het zijn dat er geen arbeidsaanbod is voor andere jobs dan kassabediende. Voor laaggeschoolde migrantenvrouwen is dit misschien niet ondenkbeeldig: logistiek en magazijnwerk is allicht voor hen geen realistische optie. Ook zou men er kunnen vanuitgaan dat de zelfscankassa helemaal niet vermeden zal worden, waardoor het een eenvoudige belasting van het eerste type is, zonder gedragssturing (vroeger waren er ook taksen op stoommachines, bijvoorbeeld). Ten slotte kan je verkiezen dat gemeenten experimenteren met taks op technologie, omdat een nationaal plan meteen veel grotere consequenties zal hebben. Volgens mij zijn dat eerder zwakke argumenten voor de gemeentelijke belasting. Het is leuk dat Molenbeek creatief beleid wil voeren, maar het lijkt meer op een wanhoopsdaad dan een echte strategie, en je kan je afvragen of het wel slim en ethisch is om met je laatste centen op de de lotterij te spelen.
De keuze die men nu gemaakt heeft zal een aantal voorspelbare gevolgen hebben: daar waar de vaste som van 5600 EUR kleiner is dan de winst bij het invoeren van een zelfscankassa, zal men de kassa gewoon automatiseren en de winst verkleinen of proberen te behouden door lonen te drukken of prijzen te laten stijgen.
Men kan zich voorstellen dat grotere bedrijven of filialen de investering niet zullen uitstellen, aangezien zij grotere marges hebben dankzij grotere volumes, en personeel ook elders kunnen inzetten. Meer nog, allicht gaan ze voor de duurste en snelste machines, omdat het een vaste taks is per scanner. Daartegenover staat dat kleine bedrijven met slechts enkele werknemers en een veel lagere omzet tegen een substantiële taks aankijken, en het met de lagere productiviteit van mensen zullen moeten stellen. Ketens zullen ook Molenbeek vermijden en meer investeren waar de productiviteit hoger ligt. Een verschuiving naar onproductieve bedrijven zal de tewerkstellingsgraad in de gemeente geen goed doen.
Dat belastingen gediversifieerd moeten zijn, en dat alles op arbeid verhalen allicht geen keuze voor de toekomst is, dat is duidelijk. In het wilde weg op gemeentelijk niveau met forfaitaire taksen jongleren, lijkt echter gedoemd om te mislukken en perverse effecten te genereren. Als er ergens een degelijke studie voorafgegaan is aan deze gemeentelijke bepaling zou ik ze graag eens lezen. Deze maatregel lijkt echter een creatieve interpretatie van de samenvatting van een opiniestuk van iemand die Thomas Pketty gelezen heeft. Het is enigzins ironisch dat het dan nog een liberale schepen is die het plan bedacht heeft.
Referenties
'Beci gaat strijd aan tegen Molenbeekse taks op zelfscankassa's', Bruzz, 18 juli 2022 - https://www.bruzz.be/samenleving/beci-gaat-strijd-aan-tegen-molenbeekse-taks-op-zelfscankassas-2022-07-18
'Sint-Jans-Molenbeek voert belasting van 5 600 euro in per zelfscankassa', VRT NWS, 13 juli 2022 - https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2022/07/13/sint-jans-molenbeek-voert-belasting-van-5-600-euro-in-per-zelfsc/
'Sint-Jans-Molenbeek voert belasting van 5 600 euro in per zelfscankassa', Bruzz, 13 juli 2022 - https://www.bruzz.be/samenleving/sint-jans-molenbeek-voert-belasting-van-5600-euro-zelfscankassa-2022-07-13
zaterdag 2 juli 2022
Migratie en groei
Ik veroorloof mij even deze opinie, al besef ik dat experten veel nuances zullen aan te brengen hebben bij de stellingen die ik hier naar voor breng.
België is een land van migranten. Dat is niet erg en het is niet onverwacht. In de naoorlogse periode kende ons land een sterke economisch groei met een grote vraag naar arbeidskrachten die door migratie uit het middellandse zeegebied, eerst Italië en Spanje, nadien Turkije en Marokko, is beantwoord. Men kan parallellen zien met de veel grotere economie van de Verenigde Staten, of met een kleinere economie zoals die van Zwitserland. Telkens gaat het om open, exportgerichte economieën. Brussel kan zich voorts qua diversiteit naast New York zetten, maar ondanks de internationale instellingen komt het op vlak van welvaart niet in de buurt van Genève. De demografische trend geeft aan dat de etnische heterogeniteit nog verder zal toenemen, en dat het aandeel migranten in de nabij toekomst nog groter zal worden.
De maatschappelijke integratie van migranten is echter geen succes geweest. Een goede graadmeter is het aantal etnisch heterogene gezinnen. Als ervaringsdeskundige kan ik zeggen dat het water zeer diep is. Cultuur is daarbij een factor, maar een ingrijpendere trend in de laatste decennia zijn homogenere huwelijken, deels ingegeven door de verwachtingen van steeds hoger opgeleide vrouwen, eerder dan die van mannen. Men kan dus islamitische mannen wel verwijten dat ze importbruiden aantrekken, maar de vraag is of ze wel een alternatief hebben. Hoogopgeleide etnisch Belgische vrouwen staan niet te springen voor schoolverlaters.
Wellicht hebben we een vergissing gemaakt door de achtergestelde positie van migranten bijna volledig aan discriminatie toe te schrijven. Een Turkse wetenschapper die hier bijlessen geeft vertelde mij dat in zijn praktijk enkel scholieren van nieuwe migranten komen, geen derde-generatieturken. Hun ouders waarderen scholing niet en verkiezen snel geldgewin. Een Nigeriaanse wetenschapper gaf dan weer aan dat ze Belgen van Nigeriaanse origine om dezelfde reden vermijdt. Ook al is armoede en discriminatie een remmende factor, toch geven ze beiden aan dat er een selectie-effect is: mensen met een hoog verdienpotentieel zullen in eigen land blijven, terwijl mensen met een laag verdienpotentieel de grens oversteken. Het verdienpotentieel is voor een groot deel afgeleid van de intellectuele capaciteiten of het IQ, dat genetisch erfelijk is. Met andere woorden: historische migratiegolven zouden wel eens intellectueel mager geweest kunnen zijn. Dat is volstrekt logisch, aangezien toen fysieke werkkracht werd aangetrokken. Door de etnisch homogene huwelijken is de variatie nog verder verminderd in plaats van toegenomen.
In de economische wetenschap wordt het effect van migratie doorgaans anders ingeschat: ten eerste gaat men ervan uit dat mensen met een groter verdienpotentieel in een grotere radius zoeken om dit potentieel te valoriseren, waarbij dit eerder tot migratie dan tot pendelen leidt. Ten tweede is er een positief effect van het toegenomen arbeidsaanbod op de totale welvaart. Dit kan in een dynamischer model leiden tot positieve spillovers voor iedereen, en dus bijvoorbeeld overheidsinspanningen om de integratie te bevorderen. In dit geval zien we echter negatieve spillovers: de nakomelingen van fysieke arbeidskrachten van een halve eeuw geleden ingeweken zijn hebben niet de kwaliteiten die vandaag nodig zijn, de schoolprestaties gaan erop achteruit, en de maatschappelijke problemen nemen toe. In het bijzonder zien we dat er zich een alternatieve informele economie ontwikkelt waar migranten in actief zijn (voornamelijk bouw, drugshandel, mensenhandel en prostitutie, autohandel, logistiek en koeriersdiensten) omdat hun economische integratie onvoldoende is om aan de eisen van de reguliere economie op vlak van lasten en voorwaarden, bijvoorbeeld vervat in CAO's, te voldoen. Door de reguliere markt te ondergraven en door het schoolniveau te verlagen sleept men zo ook de autochtone bevolking mee op het pad naar minder welvaart. In dit informele circuit zijn er allerhande problemen, gaande van uitbuiting, sociale fraude, intellectuele fraude tot geweld en omkoping. Zeker in Brussel is er een soort maffia-cultuur ontstaan.
Een nationalistisch politicus stelde zich ooit de vraag wat de economische meerwaarde van migratie is. Er zou een studie zijn van de Universiteit Antwerpen die aangeeft dat deze positief is. Ik heb deze niet gelezen, maar veronderstel dat volgende opmerkingen op hun plaats zijn: ten eerste moeten we letten op het onderscheid tussen de korte en de lange termijn: een lager betaalde werknemer kan vandaag economische meerwaarde opleveren, maar dit kan onvoldoende zijn voor zijn latere sociale zekerheid, laat staan die van anderen. Ten tweede zijn niet alle migratiestromen dezelfde: sommigen emigreren uit landen die qua welvaart op hetzelfde peil als België staan en om andere redenen dan economisch opportunisme of precies om een hoger verdienpotentieel maximaal te verzilveren. Ten derde is er een voluntarisch element: in de mate dat we erin slagen om migranten economisch te integreren zal de meerwaarde groter zijn, maar in de mate dat ze in een vorm van aangeleerde afhankelijkheid geduwd worden (vb. werkloosheidsval), zal er eerder een directe en indirecte kost zijn. Het zou intellectueel oneerlijk zijn om deze verschillen en de kenmerken van de migrantengroepen niet mee in overweging te nemen, en om er omwille van het ethische principe dat alle mensen gelijkwaardig zijn, vanuit te gaan dat dit ook economische gelijkwaardigheid betekent. Dat is natuurlijk niet zo.
Moeten we dan de migratie stoppen? Neen, of toch niet voor altijd. In eerste instantie moeten alle inspanningen geleverd worden om de huidige migranten economisch te integreren. In tweede instantie moet nagegaan worden op welke schaal NV België het best opereert. De grondwaterreserves, huisvestingscapaciteit, urbanisatie en landbouwcapaciteit zouden dit moeten aangeven. Vervolgens moet voor elke migrant een sociaal economische voetafdruk bepaald worden. Men kan dit zelfs doen voor historische migratie. We kunnen migratie toelaten als de voetafdruk van de ene migrant compenseert voor die van de andere. Ook formules om het burgerschap te kopen en om het te verliezen zouden kunnen worden overwogen. In elk geval is het gebrek aan visie in het migratiebeleid één van de factoren waarom er een ongebreidelde groei is van de immigratie, zowel met als zonder papieren. We moeten eerlijk zijn en toegeven dat dit voorlopig nog niet wordt gebruikt als een troef, maar eerder zorgt voor verarming en verrechtsing, zowel bij de autochtone bevolking als bij de reeds conservatieve allochtone bevolking, welke zich eerst vastklinkt aan de linkse partijen die zich opstellen als donateur, tot dat voordeel wegvalt. Het is een debat met veel taboes, maar het moet wel gevoerd worden, zonder al te idealistische of folkloristische opvattingen.
donderdag 16 juni 2022
Stakingen
Definitie
- Lock-outs, waarbij de werkgever het bedrijf laat stilleggen.
- Wilde stakingen ('wildcat strikes') gebeuren onaangekondigd en zonder de steun van vakbonden.
- Stiptheidsactie, waarbij de werknemers zodanig nauwgezet de taken afwerken dat het werk vertraging oploopt (vb. treinconducteurs controleren elke en iedere reiziger, politie controleert elk voertuig, etc.).
- Betaalstakingen, waarbij werknemers geen geld innen (vb. treinconducteurs controleren niet).
- Piketten, waarbij werknemers verhinderd worden om hun werk uit te voeren door werknemers van de eigen of van een andere organisatie.
- Blokkering, waarbij de band wordt stilgelegd of producten worden vastgehouden tot er een akkoord is.
- Een nationale staking is een staking in het hele land.
- Een algemene staking is een staking in zo goed als alle sectoren.
Juridische basis
Vier sociaal-economische paradoxen
Bronnen
- Sommige stakingen zijn niet erkend en belanden dus niet in de statistieken. – Dit is niet onwenselijk: de indicator geeft aan hoeveel erkende stakingen er waren.
- Sommige erkende stakingen leiden alsnog tot uitbetaling van de – Als de werkgever een stakingsactiviteit beschouwt als een taak voor de onderneming, dan is het geen staking meer.
- Het aantal personen of VTE dat staakt zegt niet hoeveel stakingen er zijn. – Ten eerste kan dit wél uit de DMFA microdata worden afgeleid, ten tweede kan men de stakingen per sector delen door de gemiddelde bedrijfsgrootte om een indicatie te krijgen, en ten derde suggereert men om stakingen in promille uit te drukken, wat ook een goede oplossing is.
- De Belgische statistieken zouden niet conform de IAO-richtlijnen zijn. – Dat verdient om bekeken te worden, maar een administratieve statistiek sluit niet uit dat er andere manieren zijn om de stakingen op te volgen (vb. enquêtes, vakbonden, zoekopdrachten, etc.).
Arbeidsongevallen, gebedsruimtes, en genderneutrale toiletten
Dit is een korte opinie over de beleidsfocus vandaag.
In de laatste decennia is het aantal arbeidersjobs (fysieke handarbeid) gedaald van een meerderheid tot een minderheid van het totale aantal jobs in de privésector in België en zijn de bediendenjobs (mentale hoofdarbeid) nu talrijker. Daarmee is ook het aantal werkongevallen afgenomen, aangezien fysieke arbeid fysieke risico's inhoudt. Dit kan louter een compositie-effect zijn: uit eigen onderzoek blijkt dat arbeidersjobs nog steeds dezelfde risico's inhouden, en cijfers van Fedris tonen steeds aan dat ook de prevalentie van arbeidsongevallen in deze sectoren hoog blijft.
In het verleden was er veel aandacht binnen de sociale dialoog rond veiligheid en preventie op het werk, en zo werden arbeidsgeneesheren en preventieadviseurs aangesteld, en werden ondernemingen met minstens 50 werknemers verplicht om een CPBW in te richten. Bovendien is er een omvangrijke wetgeving rond veiligheid op het werk, en worden er ook inspanningen gedaan voor vorming en voorlichting ter preventie van arbeidsongevallen.
Sinds de jaren 1990, samen met de toename van het aandeel en aantal bedienden, is er meer aandacht gekomen voor (mentaal) welzijn op het werk. Stress, burnouts, en vormen van discriminatie en intimidatie, zijn relatief nieuwe thema's in het preventiedomein, en worden veroorzaakt door zogenaamde psychosociale factoren. Recent is dit psychosociale domein uitgebreid met gevoeligheden die vroeger niet meteen tot de arbeidssfeer behoorden: aandacht voor diversiteit en inclusie, religie, gender, en seksuele oriëntatie. Sommige van die gevoeligheden zouden kunnen gezien worden als overgevoeligheid. Is het bijvoorbeeld een recht van een moslim om gedurende de ramadan minder performant en slaperig te zijn op het werk (noteer dat volgens de eigen leer het werk voorgaat), is het een groot probleem als een transseksueel naar hetzij een mannen- of vrouwentoilet moet gaan, dat iemand hard op tafel klopt tijdens een discussie (een manifestate van kracht ofwel 'microagressie'), of dat men mensen met meneer en mevrouw aanspreekt - wat vroeger gewoon beleefd was? Men noemt mensen die hiervoor overgevoelig zijn soms 'snowflakes' of 'woke': ze zijn alert voor situaties die vroeger ongemerkt passeerden... en relatief onschadelijk waren.
Deze discussie lijken objectief beschouwd niet complex, maar subjectief wordt het een andere zaak, precies door er de aandacht op te vestigen en er een fetisj van te maken. Opeens worden dit de halszaken, en dat kan de aandacht verdringen van andere thema's, zoals het klassieke preventiebeleid rond ongevallen en problemen van biomechanische aard (vb. musculoskeletale aandoeningen). In theorie hoeft dit niet en kan men tegelijk proberen om aan gevoeligheden tegemoet te komen of ermee te leren omgaan, maar in de praktijk is aandacht niet onverdeeld. Dan is de vraag welke problemen objectief ernstiger zijn: fysieke letsels die vooral lager betaalde, mannelijke arbeiders treffen, of mentale zorgen die vaker beter betaalde, vrouwelijke bedienden treffen? In mijn ogen is het een onrecht dat dit eerste over het hoofd gezien wordt, zonder mentale problemen te miskennen, maar tussen een burnout en het verlies van een hand is het gemakkelijk kiezen, en tussen het carpaal tunnelsyndroom en het ontbreken van gebedsmatjes nog gemakkelijker.
De vraag is waarom niet iedereen daar dan zo over denkt. Ieder schuift uiteraard het eigenbelang naar voor, en werknemers die sterker staan zullen hun gevoeligheden als gevoeliger kunnen voorstellen dan zij die zwakker staan. Dit is alvast een paradox. Daarnaast is het zo dat sommige problemen geïmporteerd zijn van buiten de arbeidssfeer: de maatschappelijke segregatie op basis van religie, toenemende bekommernis om seksualiteit en gender in een wereld die minder traditioneel is, en eenvoudigweg toenemende sensitiviteit omdat sensitiviteit niet teruggedraaid worden. Historisch perspectief verhelpt dit niet, en bovendien zijn er voor elk van de overgevoeligheden ook effectief uitwassen die een terechte gevoeligheid uitlokken: zo hoort een werkplaats geen gebedsruimte te zijn, maar het gebeurt ook dat werkgevers zich gaan inlaten met de geloofsovertuiging van mensen buiten de werkuren, en op basis daarvan gaan discrimineren, terwijl dat tot de strikte privésfeer behoort. Ook het respect voor diverse geaardheden en de gelijkwaardigheid van vrouwen en mannen zijn geen evidentie, maar de symbolische strijd die ervan gemaakt wordt gaat voorbij aan de democratisering die er al geweest is en ent zich eerder op algemene maatschappelijke ongenoegens. Het is goed mogelijk dat ze zelfs een gevolg zijn van de toegenomen stress op het werk zowel als in het privéleven, voorkomend uit toegenomen complexiteit van het leven op beide vlakken.
Het beleid moet zich echter focussen om problemen die door het beleid kunnen worden opgelost. Met genderneutrale toiletten worden psychosociale problemen niet van de baan geruimd: er is een pleister aangebracht op een open wonde die zich verder openrijt. Het is symbolisch lapwerk dat de gevoeligheden verder vergroot. Ondertussen kunnen we zeggen dat de 20ste-eeuwse problemen van een kleiner en minder mondig, lager opgeleid deel van de tewerkstelling over het hoofd gezien worden - wat op zich ook tot frustratie leidt. Dit zijn de mensen die door slijtage aan de gewrichten vanaf 50-55 jaar ongeschikt zijn voor de arbeidsmarkt en zich als een vergeten groep gaan manifesteren (cv. gele hesjes, Michel Houellebecq), en zich onbegrepen voelen zonder het even prozaïsch te kunnen uitdrukken als een jongere, vrouwelijkere, hoger opgeleide generatie dat met andere zorgen kampt. Het beleid moet de juiste prioriteiten zoeken, niet op basis van wie het luidste roept, maar op basis van wie het hardste lijdt.
vrijdag 1 januari 2021
Coronavirus vaccination pricing
At this stage of the epidemic, we have increasing numbers of coronavirus infections, due to seasonality of the virus and slack on the epidemic control, both from the policy side and from the citizen side. At the same time, vaccination campaigns have become, and will eventually extinguish the virus, provided no new surprises pop up.
It is tempting to vaccinate as fast as possible, and almost at all costs. However, as firms are profit maximizing agents, production capacity is limited. If they were not, the recipe for coronavirus vaccines would be available at market prices to any market player willing to produce it. This would be welfare optimal. Now suppose firms wouldn't care about profits and countries were valuing lives saved infinitely more than the realisation of monetary added value in the pharmaceutical sector, then the vaccine recipe would be available for free. Of course, this is not the case, although the University of Oxford has convinced its producing partner AstraZeneca (which has little experience making vaccines) to sell coronavirus vaccines at cost price, and the Pfizer-BioNTech and Moderna vaccines have a similar pricing to influenza viruses - which is about ten times the Oxford-AstraZeneca price, begging the question whether the market is competitive. Probably not.
Either way, countries have put their bids for the coronavirus vaccines, and we are now seeing the winners and losers from this bid. Some countries are quick to approve the vaccines and pay higher prices than others. Rushing through procedures (at a potential cost in safety) and paying a premium price boil down to the same thing. It appears that rich countries that have individually negotiated prices, have faster access, but at a higher cost. Poorer countries without bargaining leverage would have slow access, at a high cost. Examples are Israel and the UK. Countries that group their purchases, notable the European Union, have lower costs, but slower access. There is little internal inequality between the countries from the EU. This means for Bulgaria or Portugal, it is undoubtedly interesting to join the coordinated purchase, but countries like Germany, Sweden, and the Netherlands may wonder whether it wouldn't have been more advantageous to order separately.
This is a game theoretical bidding problem. To begin with, assume demand for the vaccine is inelastic: any country wants it at almost any price. The propensity to pay is equal to the cost of a raging coronavirus epidemic. Supply, on the other hand, has a normal, upward slope. In absence of competition, the producer will be able to set prices far above the market equilibrium price. In itself, such disproportionate producer surpluses are not problematic, but the resulting inequality and the inability to share the welfare that has been generated, is. To play the game, suppose that countries can either put a low bid (L) at the equilibrium price, or a high bid (H) at a level above equilibrium. In absence of perfect competition, in order to avoid inequalities, the first-best solution would be to ensure countries bargain collectively and put low bids. However, single countries putting a high bid could undercut this strategy and leave the rest of the world at a massive disadvantage, as the the high-bidding country would be the only one disposing of full production capabilities. As a result, without coordination, countries will put high bids and will benefit from it individually, but if all countries do so, we end up in a second-best equilibrium.
donderdag 11 juni 2020
Stoppen met eten
Praktijktests op de woningmarkt
- Vergroot het marktaandeel van sociale huisvestingsmaatschappijen, creëer zo een monopsonie op het lagere segment van de huurmarkt, en laat de echte probleemgevallen nog steeds vrij onderhandelen zodat de maatschappijen de gewenste huurders zijn voor de huiseigenaars.
- Verplicht huurders een schadeverzekering af te sluiten, en verplaats de risicoinschatting van de verhuurder, die eenvoudige heuristiek gebruikt, naar professionele makelaars. Daarna kan men praktijktests doen om het effect van die wet op te volgen, niet om de verhuurders te bekeuren. Normaal zou er dan minder discriminatie moeten zijn ten opzichte van de nulmeting.
- Sta toe dat migranten een pseudonym gebruiken. Veel Aziaten, met name uit Hong Kong en Taiwan, hebben een geboortenaam en een verwesterde naam. Als daar het taboe rond sneuvelt, krijgt men het effect van een auditie achter gordijnen.
- Immokantoren en sociale huisvestingsmaatschappijen werken in België in opdracht van de verhuurder, voor wie er een kost aan verbonden is (een premie, dan wel een lagere verhuurprijs). Het zou goed zijn mochten er ook bemiddelaars voor de huurder zijn.
- Een (ver)huurdersboekje met referenties, naar allegorie met het beruchte werkmansboekje, waardoor men een (ver)huurdersscore kan voorleggen op basis van vorige (ver)huurcontracten.
vrijdag 17 januari 2020
Zotero labels
By academic field
- statistics
- economics
- econometrics
- sociology
- industrial relations (incl. collective bargaining)
- ,,,
By topic
- wage curve
- wage norm
- inequality (incl. dispersion)
- wage
- income
By focus
- gender
- age (incl. youth, elderly)
- Belgium
- Europe
- Great Recession
- ...
By kind
- Empirical
- Theoretical
- Literature overview
- Meta-analysis
- Review or comment
- Grey literature (annual reports, technical papers, discussion papers, working papers, etc.)
By quality
- Classic (e.g. seminal)
- Good
- Bad
- To do
dinsdag 29 oktober 2019
Groeigedreven inflatie, in mensentaal
Stel je voor dat een producent z'n productiviteit met 10% kan opdrijven en alles verkocht krijgt aan de lopende prijs. Er zal dan meer liquiditeit nodig zijn, dus de monetaire basis moet vergroten, zoniet is er hetzij een overproductieprobleem, hetzij deflatie als de prijzen dalen. Dat zou leiden tot het uitstellen van consumptie tot de goederen lager geprijsd op de markt komen, of er in elk geval van uitgaande dat het geld dat opzij gezet is, in de toekomst meer waard zal zijn. Dit is destructief voor de economische groei.
De centrale bank heeft dus geen andere keuze, wil ze prijsstabiliteit garanderen, dan om geld bij te drukken zodat de groei mogelijk is. Aangezien voornoemde producent meer middelen heeft, kunnen zijn leveranciers en dienstverleners daar ook een graantje van meepikken. Zij verhogen hun prijzen, maar niet hun productiviteit. Het gevolg: de nominale economie groeit, maar de reële economie niet. Het verschil is inflatie, namelijk ontwaarding van de munt. De centrale bank kan dit binnen de perken houden door de rente te verhogen via een hogere interest op de reserves die de banken aanhouden, waardoor er meer gespaard wordt, of door via openmarktoperaties overheidspapier te verkopen, wat geld uit de omloop haalt en bedrijven verplicht om eigen obligaties aan een hogere rente te verkopen, aangezien het aanbod aan papier is toegenomen.
dinsdag 12 februari 2019
Tegen beter weten in
Toch is de krappe loonnorm een onnatuurlijk gegeven: enerzijds worden de sectoren en bedrijven in slaap gewiegd of gaat men op allerhande manieren proberen de loonnorm te omzeilen, wat tot niet-geobserveerde ongelijkheid leidt, en anderzijds kan je geen stabiel loonaandeel in het BBP bekomen wanneer de groei van lonen geplafonneerd is maar de groei van kapitaalopbrengsten niet. Dat is geen duurzaam scenario dat men op Europees niveau kan veralgemenen zonder opnieuw op een crisis af te stevenen.[ii] Een minimale marge om economische groei om te zetten in brutoloonstijgingen en niet in cheques, auto's, aanvullende pensioenen of winstdeelnames, zou het sociaal overleg activeren en efficiënter maken, en het laat zelfs een verlaging van de belastingsvoeten toe. Binnen het keurslijf van de huidige loonnorm is zo'n vereenvoudiging evenwel onmogelijk. Meer principieel kan men zich afvragen of het niet in strijd is met het subsidiariteitsbeginsel om de loonvorming quasi volledig aan de overheid over te laten, met één vaste norm voor de hele economie, die enkel gericht is op kostencompetitie. De loonnorm is vaak geïnterpreteerd als ruggensteun voor de werkgeverszijde, maar geldt dit nog met de huidige arbeidsmarktkrapte, en wat als er geen akkoord komt? De sociale partners hebben er dus beide belang bij hun onafhankelijkheid terug te winnen. Alvast de vakbonden laten straks van zich horen, in navolging van de scholieren, tegen het beter weten in.
vrijdag 1 februari 2019
Billionaires
donderdag 25 oktober 2018
Four conditions for social dialogue
The social dialogue construction
1. Representativeness
2. Rules and procedures
3. The process
4. The outcomes
Lessons for Belgium
Lessons for Europe
vrijdag 14 september 2018
The labour share and disemployment
maandag 25 juni 2018
Marx' chicken and egg problem
I am sure others have devoted proper attention to Marxist economics, but for the sake of amusement, and also because of the tiring ridiculous critique that a labourer can increase the value of its produce, according to Marx, by spending more time making it, I want to give it a try.
In economics, for profit maximisation, the first order condition for labour is that the wage (marginal cost) is equal to the marginal product (marginal revenue). This is very understandable: if an additional worker delivers more then he costs, the employer is most interested in recruiting the worker. Also, every worker before the last worker has delivered a greater discrete revenue, because of the law of diminishing returns, so that if all workers are paid the last (and highest) wage, the firm is still profit maximising.
Actually, this is a nice side-step: the firm has no other choice but to pay all workers this wage. The simplest example is when there are competitors, where workers can go to earn the equilibrium wage. In other words, and individual firm is a wage-taker, and faces a perfectly elastic labour supply curve. But also in the case of a monopsony, the worker may quit the firm to be recruited back at a higher wage. What this implies is that the marginal cost of hiring an extra worker is actually above the supply curve. This is the reason monopsonists hire less workers at a lower wage, increasing their welfare but reducing overal welfare.
Either way, on the labour supply curve, the wage claims of workers are given. A worker will individually offer more working time for higher earnings. The price of one hour of work is the value of one hour of leisure. So anybody who claims that propensity to pay is the driving force of value is right and wrong at the same time: it is correct, but it can also go back to time and the willingness of employers to buy it from workers. And the employer is willing to pay according to the willingness of the consumers to buy the products produced. Hence it is a chicken and egg problem.
However, imagine a product is not in high demand at all, but requires exactly the same skills and schooling another product requires. The propensity to pay will be very low, and the product will not be produced, because the labour can be put to use for another product at the desired wage level desired.
But then what defines the value of one hour of leisure? This might depend on what can be made and earned in that hour, which depends on what the consumer is willing to pay. Yet at the same time, it increases with schooling, that is a time investment, both of the worker and of his teachers. This investment has to be bought. Hence in both directions, again, we see that the product values the time, and time values the product. To me there appears to be no contradiction. One should know that the discipline of economics has evolved and great theories are now summarised in understandable graphs. The prosaic theories however, much like many continental philosophical ideas today, did not make the assumption as explicit and the interconnections between different markets as clear as do economic theories nowadays (or better, in a recent past, because the complexity of new theories has obscured the explicitness of assumption). Some people prefer that tradition, perhaps for political reasons, but for me it's not worth my time.
woensdag 23 mei 2018
Super Mario en het pensioen op punten
Mario De Clerck zal zeker nog tijd nodig hebben om te schrijven aan zijn langverwachte novelle op basis van zijn fictief dopingdagboek, en hij maakt de juiste redenering: in plaats van alle burgers een gelijke loopbaan te geven, kunnen we hen misschien beter gelijkstellen in de periode waar men kan genieten van z'n oude dag. Tijdens de loopbaan moeten dan compensaties gegeven worden voor de effecten op de levensverwachting van een slopende baan.
Dat levert twee problemen op: ten eerste weet men niet precies wanneer men gaat sterven en is dat op zich een taboe-onderwerp, ten tweede is dit niet één-op-één aan een beroep te linken. Het huidige debat over zware beroepen gaat daarom over de verschillende pensioenleeftijd voor verschillende beroepscategorieën, maar negeert verder het feit dat hetzelfde beroep tot een verschillende fysieke en mentale belasting kan leiden. In het pensioensdebat is er daarom ook niemand die een plan heeft om de werkenden effectief in staat te stellen om te blijven werken tot de verhoogde pensioenleeftijd.
Hoe kan het wél: stel je voor dat we de wielersport als een aberratie blijven beschouwen, maar andere werkenden vanaf 55 de vrije keuze laten om op pensioen te gaan. Daarbij krijgen ze een basispensioen dat gekoppeld is aan de levensduurte, en een bijkomende verdeling van de pensioensafdrachten volgens het puntensysteem. Als men 40 punten heeft verzameld, tegenover een gemiddelde van 60, dan krijgt men dus 2/3de van een gemiddeld pensioen. Dit bedrag is ook nog eens degressief: na 15 jaar is de pensioenspremie bovenop het basispensioen uitgedoofd. Er staat dus een soort gelijke limiet op de pensioensduur. Bovendien kan men het repartitiesysteem altijd bekostigen, en heeft elke generatie er baat bij de beste economische structuur achter te laten om de koek te vergroten waar men later aan knabbelt.
Wat is het gedragseffect van zo'n systeem? Vooreerst zal iemand die langer denkt te kunnen werken, dit vrijwillig doen: hij of zij kan meer punten verzamelen, en zal verwachten minder lang op enkel het basispensioen aangewezen te zijn. Een andere werknemer zal echter door gezondheidsrisico's een lagere levensverwachting hebben, wat zich vertaalt in een hogere prijs van vrije tijd naarmate de jaren vorderen, en dus een hoger reservatieloon. Als het loon dat niveau niet haalt, zal men uit de arbeidsmarkt stappen, en kan men nog enig genot hebben van z'n pensioen. Mocht dat langer duren dan verhoopt, dan is de extra tijd mooi meegenomen. Bovendien zijn allerlei flexibele scenario's mogelijk waarbij men terugkomt uit pensioen en alsnog een paar jaar werkt. Om werknemers met een zware baan langer in dienst te houden zal de werkgever dus ofwel de arbeidskwaliteit moeten verbeteren, ofwel het loon moeten verhogen. Dat klinkt toch als een normale logica, ook voor veldrijders. In de huidige omstandigheden wordt hij tegemoetgekomen door de overheid, die een vroegere uitstap zonder meer goedkeurt, maar daarbij alle werkgevers en werknemers over dezelfde kam scheert. Het hele debat over burnout, stress, en de algemene jobkwaliteit belandt zo weer in de onderste schuif van het sociaal overleg, en de hoogproductieve Belgische werknemer zal blijven werken tot hij erbij neervalt.
Wage indexation
Suppose you do not adjust wages to price levels. That means when there is inflation, labour supply should drop. The immediate result is a loss of welfare. Sure, this will lead to (individual) negotiations and maybe improved allocation in different jobs, but if not too much changes, you have menu cost only to end up in the same equilibrium.
Another way one might look at it is believing labour supply is totally inelastic. In that case, a drop in the real wage only changes the distribution of income, shifting the worker's surplus towards the employer's surplus. Granted, some people believe people should work at any price. There is no notion of freedom or even of a labour market in such a case. Furthermore, this price is then supposed to be set on a world product market, hence fully exogenous, which wouldn't exist for labour - so there could be no economic migration. This is not what we see in the world today.
Of course, if a single company would adjust the wages of it's employees to inflation, others would free-ride and undercut its position, taking the market. Therefore sectoral collective bargaining agreements are ideal. Another option is to organise indexation state-wide, but then second round effects (wage-price spirals) are more likely: indeed, if firms know that disposable income will change by two percent, they will be very inclined to increase prices with the same two percent. In case the adjustment is not timely or uniform, there is less temptation to do so. Obviously it is not fully true that disposable income increases, because prices have already increased when wages are adjusted.
Finally, the allocation issue in fact shifts from worker allocation to firm's market share when all wages are adjusted and prices cannot be increased. This implies other compensations: lower profits, more innovation, wage compression, etc. This might either be within firms, or through the composition of the population of firms, which is known as creative destruction, as coined by Schumpeter.
In the end, that is what competition in the real, not nominal, world is about.
maandag 30 april 2018
Stakingen met blokkades, moet dat kunnen?
Vandaag in België stellen weinigen nog het stakingsrecht in vraag. Men richt zijn pijlen op het de dee rechtspersoonlijkheid van vakbonden, de clausules voor sociale vrede en de uitbetalingsfunctie, en het zogenaamde recht op werk. Ik ga na tot op welke hoogte de kritieken terecht zouden kunnen zijn.
In België hebben vakbonden, zoals feitelijke verenigingen, geen rechtspersoonlijkheid. Men kan dus de vakbond niet verantwoordelijk stellen voor de vakbondsacties waar ze toe oproept. Omgekeerd zal het stakend vakbondslid in de verdediging kunnen oproepen dat hij of zij handelde in groep en individueel niet alle verantwoordelijkheid kan dragen in het geval er een overtreding van de wet plaatsvond. Dat creëert rechtsonzekerheid en zal veroordelingen voorkomen, tenzij uiteraard de ernst van het misdrijf dermate hoog is dat het niet aan een groepsactie kan worden toegeschreven, zoals moord. Mochten vakbonden wel rechtspersoonlijkheid hebben, dan zijn ze vrij gemakkelijk monddood te maken, omdat ze zich per definitie in conflictgebied begeven waar de leden de grens van het legale zullen opzoeken. Bovendien kanaliseert de vakbond de sociale onrust. Mocht zij er niet zijn als spreekbuis van de werknemers, dan zijn sabotageacties net veel waarschijnlijker. Als men het sociaal conflict wil beheersen, is het dus verstandig om de vakbond in leven te houden.
In veel sectoren is er een clausule voor sociale vrede gekoppeld aan een vakbondspremie. Dat betekent dat wanneer het akkoord gerespecteerd worden, de vakbondsleden een premie krijgen die betaald wordt door de werkgever, en die voor een deel het lidmaatschap van de vakbond compenseert. Dit is een specifiek kenmerk van het Belgisch sociaal model, waarbij de werkgever omzeggens de werknemer aanmoedigt om lid te worden van een vakbond. De premie wordt betaald uit een sociaal fonds, dus het is niet zo dat de werkgever een individuele werknemer zou kunnen ontraden van dat recht gebruik te maken om kosten te besparen. In Nederland is er ook een dergelijk 'afkopen' van sociale vrede, maar daar ontvangt de vakbond, en niet het lid, de middelen, waardoor de perceptie van korting op het lidmaatschap niet bestaat.
Nu is er toch een probleem met deze clausule: namelijk dat ze nooit afgedwongen wordt. Als de vakbond de sociale vrede niét respecteert, zouden er geen premies mogen worden uitgereikt. Dat gebeurt in de praktijk zelden of nooit, waardoor een deel van de functie van de vakbondspremie komt te vervallen.
Een tweede aanmoediging voor vakbondslidmaatschap is het feit dat in België vakbonden uitbetalingsinstanties zijn voor werkloosheidsuitkeringen. Men kan zich afvragen of dat enig nut heeft, aangezien het recht op een werkloosheidsuitkering niet afhangt van het vakbondslidmaatschap en er ook een hulpkas voor werkloosheid is die door de overheid wordt ingericht. Er zijn twee redenen om dit toch te behouden. De eerste reden is dat de vakbond optreedt in functie van de maximale rechten van de werknemer, en de hulpkas in functie van de minimale plicht van de overheid. Aangezien het arbeidsrecht een kluwen is, betekent dit dat de werkloze sneller een volledige werkloosheidsuitkering zal krijgen wanneer hij of zij lid is van een vakbond. De tweede reden is volstrekt parallel met de vakbondspremie: het feit dat de vakbond wordt ingeschakeld voor de begeleiding van de werknemer doorheen de carrière, van scholier tot gepensioneerde, over studentenjobs, tewerkstelling, en werkloosheid, is een keuze voor een bepaald sociaal model. Ook de ziekteuitkering, via de mutualiteiten, is historisch verzuild. Aan de werkgeverskant zou een gelijkaardig stelsel denkbaar zijn mochten sociale secretariaten gelinkt zijn aan sectorfederaties, maar dit is niet het geval. Desalniettemin, hoewel perfect substitueerbaar door een efficiënte en geautomatiseerde overheid, zorgen extra functies voor de vakbond ervoor dat het lidmaatschap geen motie van wantrouwen is tegenover de werkgever, maar een rationele keuze in functie van het eigenbelang op lange termijn.
Het laatste en meest actuele punt van kritiek is het zogenaamde recht op werk. Er is inderdaad een ILO richtlijn, en zelfs een artikel in de UVRM, dat het recht op werk stipuleert. Werk geeft betekenis aan het leven en verschaft bestaansmiddelen. Een slechte verstaander begrijpt hieruit dat élk werk dit garandeert, en dat werken daarom op élke dag mogelijk moet zijn. Het is een drogreden om blokkades tijdens stakingen, waar werkwilligen de toegang tot de onderneming wordt ontzegd, te veroordelen. Vooreerst moet men het recht op werk begrijpen als het recht op waardig werk. Men dient ook het sociaal overleg te begrijpen als de democratie die waardig werk reguleert. In dat opzicht is staken een middel, als alle andere zijn uitgeput, om dit recht op werk en waardige werkomstandigheden af te dwingen. Ik vergelijk het met een huwelijk: hoewel er een huwelijkscontract is, moeten beide partners erin blijven geloven. Het recht om samen te blijven, de eed tot trouw, is niet veel waard als het leidt tot dwang. Idem met een arbeidscontract: men kan van het recht op werk geen plicht op werk ten allen prijze maken. Een staking is dan een tijdelijke onderbreking die de ruimte geeft om de waarde en de waardigheid van de arbeidsrelatie te herbekijken.
Maar er is meer. Hoger heb ik aangehaald dat de vakbond werknemers met een zwakke onderhandelingspositie organiseert, de krachten bundelt. Hoewel het staken een recht is, zal de werkgever dit een werknemer vaak niet in dank afnemen. Een ontslagmotief is in de daaropvolgende periode gemakkelijk gevonden. Werknemers die vrezen voor hun job zullen dus niet werkwillig zijn omwille van hun recht op werk, maar net om ze vrezen dit te zullen worden afgenomen. Dat is de meest logische interpretatie, en het getuigt van totale wereldvreemdheid om dit anders te zien. Want bij een staking zijn het enkel de stakers die hun inkomen verliezen, deels gecompenseerd door een stakingsvergoeding, niet de werkwilligen die verhinderd zijn door overmacht. De beste bescherming is er ten andere wanneer het piket wordt opgezet door vakbondsleden van een andere onderneming: dit dwingt werkgevers om het collectief overleg een kans te geven, en beschermt werknemers tegen hun werkgever.
Kort samengevat zijn de meeste kritieken op de positie van de vakbond een onrechtstreekse poging om het stakingsrecht te ondermijnen en een rechtstreekse poging om de onderhandelingsmacht van werknemers te verkleinen. Alleen wat de clausule voor sociale vrede en de rol van uitbetalingsinstantie betreft kan men zich afvragen of een deel van het nut hiervan niet is komen te vervallen, en of het niet mogelijk is om daadwerkelijk een prijs op sociale vrede te zetten en efficiënt werkloosheidsuitkeringen uit te keren zonder non-take up, en tegelijk nog genoeg incentieven te geven voor de werknemers om bij een vakbond aan te sluiten.
vrijdag 27 april 2018
Higher wages or more jobs to reduce poverty?
Poverty, for many, is a household concept. The loss of income by any family member will pull all family members into poverty. This is of course true and the impact of minimum wages on career interruptions is difficult to establish causally.
However, another line of reasoning would be to wonder what wage structure would exist if the labour market was entirely unregulated. It is obvious that just about any job might exist, if there would be no drawback position such as social security, and low reservation wages. In the current globalized economies, this is very likely. In more remote, nordic economies, this used to be less so. Combining high schooling and high bargaining coverage and unionization, in-work poverty has not been a challenge.
Besides migration and the downgrading of the workforce, the pressure on benefits, and hence the lowering of the reservation wage, technological change and in particular job polarization is also fuelling the growth of the low wage segment.
If we look at the role of wages in reducing poverty in the past, this is perhaps not as important as it will be in the future.
donderdag 26 april 2018
Beter één enkelvoudig statuut
Waarom kan het niet eenvoudiger, met slechts één type arbeidscontract, dat gelijk is voor arbeiders, bedienden, ambtenaren en uitzendkrachten? Er is één type opzegtermijn dat in onderlinge overeenkomst kan worden bijgesteld. Uitkeringen volgen automatisch en zijn afhankelijk van het aantal gewerkte uren. Dit zou ongelofelijk veel administratie en fouten voorkomen, zonder aantoonbare nadelen. Uitzendkrachten of studenten krijgen precies hetzelfde contract en betalen dezelfde bijdragen, en kunnen zo tien contracten bij hetzelfde bedrijf hebben in twee jaar tijd, en een maximum van twee jaar werk voor een bedrijf, waarna geen nieuw contract meer kan worden gesloten. Wil men uitzendarbeiders vaker inschakelen, dan kan dit mits een standaardcontract met het uitzendkantoor.
Dit zou de grootste flexibilisering van de Belgische arbeidsmarkt zijn, terwijl het de werknemers net méér zekerheid biedt en de bedrijven transparantie.