Posts tonen met het label Nederlands. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nederlands. Alle posts tonen

donderdag 11 juni 2020

Stoppen met eten

Als ik terugdenk aan mijn kindertijd, wat toch al meer dan een half leven geleden is, dan ben ik vooral verwonderd over wat wij elke dag te eten kregen. Hoewel mijn moeder geen typische huisvrouw is, kwam er elke avond vers en gezond eten op tafel. De gewoonte om dagelijks te koken was overgenomen van de generaties voor haar, maar de kwaliteit was nog verbeterd. Ook de man des huizes deed overigens meer dan zijn deel in het werk. 
Spoelen we vooruit naar 2020, dan zien we een hele andere trend: mensen halen eten af via Deliveroo, slaan maaltijden over, laten HelloFresh aan huis bezorgen, spenderen minder tijd in de keuken. Het kan niet anders of de kwaliteit daalt, en dus ook de gezondheid van de burgers. Zelfs als ik eraan denk inspanningen te doen, kom ik er toch niet toe. Onze tijd is nog schaarser geworden.
Het is een klassiek probleem van Baumols cost disease: we worden niet of amper productiever bij het shoppen, terwijl de productiviteit op andere vlak toeneemt. Daarvoor worden we ingeschakeld, en als comparatieve specialisten gaan we onszelf ook meer op die andere terreinen toeleggen. Het resultaat, cru gezegd, is dat ik mijn geest voed, maar niet mijn maag.
Het beleid zou hier veel aan kunnen verhelpen, door een goede analyse te maken van dit huizenhoog probleem. Men kan bijvoorbeeld het aanbod aan bepaalde diensten of formules terugschroeven, normen opleggen, belastingen heffen, producten nudgen of de productiviteit in de keuken vergroten: de camionnetjes van Amazon verschepen nu vooral gadgets, maar misschien kan de groenteboer ook weer rondtoeren, deze keer buiten de kantooruren of op afspraak. Ik heb alvast een app hiervoor en laat anderen mijn boodschappen doen, maar ik moet mij nog over het schuldgevoel dat ik de shoptijd van een mindervalide afneem heen zetten. Graag betaal ik zelfs méér voor de dienst, of zou ik horen dat de winkel de shoppers beter kan betalen dan ander personeel (vb. omdat er minder verlies of diefstal is), dan mogen ze dagelijks langskomen met een verse lading.

Praktijktests op de woningmarkt

Er is in Vlaanderen grote druk om praktijktests uit te voeren op de woningmarkt, om discriminatoire praktijken op te sporen. Er zijn indicaties dat verhuurders migranten uitsluiten van een bezoek of eenvoudigweg niet toelaten als huurder. Dat is ontegensprekelijk het geval. Er is discriminatie, maar is het racisme? Een van de mooie zaken van markten is namelijk dat discriminatie er niét goed op plakt: waarom zou men op smaak differentiëren als men daarbij nutsverlies lijdt? Toch lijkt het te gebeuren.

Sociale huisvestingsmaatschappijen kennen dit fenomeen maar al te goed. Het heet statistische discriminatie, en hun verdienmodel is erop gebaseerd. Het komt erop neer dat een individuele verhuurder mensen met een migratieachtergrond ervan verdenkt minder voorzichtig met z'n eigendom om te springen, en geen schadevergoeding te zullen betalen als bij het beëindigen van een huurcontract blijkt dat er schade is aangericht (vochtschade, brandschade, vernielingen, verbouwingen, ... ). Er zijn geen goede studies naar - wat een eerste tekortkoming is in het debat - maar ervaringsdeskundigen gaan ervan uit dat dit waarschijnlijker is met migranten dan met autochtonen. Het is op zich ook niet onlogisch, omdat de sociale sanctie bij wangedrag groter is wanneer men een groter netwerk in de buurt heeft. Dat effect speelt ook op de arbeidsmarkt. Op basis van gepercipieerde probabiliteiten zal een verhuurder dus beslissen om hetzij een risicopremie te vragen, hetzij een groep potentiële huurders uit te sluiten. 

Beide gebeuren: wanneer een sociale huisvestingsmaatschappij onderhandelt, zullen ze immers de huurprijs substantieel kunnen drukken, in de grootteorde van 30% van de huurprijs. Men garandeert immers dat de eigen technische ploeg voor het onderhoud van de woningen zal instaan. Via de sociale verhuurmaatschappij wil men dus wél verhuren aan vreemdelingen, en zelfs onder de marktprijs, want de risico's vallen weg.

Nu is de vraag wat er zal gebeuren als de wetgever praktijktests invoert. De optie om een groep potentiële huurders uit te sluiten valt weg, dus de risicopremie zal toenemen en de huurprijs zal stijgen. Het is ook goed mogelijk dat de prijs als een uitsluitingscriterium gebruikt zal worden. In die gevallen zal er een inflatoir effect zijn. Anderzijds kan het ook zijn dat huizen van de huurmarkt gehaald worden en op de koopmarkt belanden, wat daar het aanbod doet toenemen, en de prijzen van onroerend goed, en dus de inflatie, dalen. Omdat de vraag naar huisvesting op zich inelastisch is, zullen migranten dan eigendommen moeten kopen. Hoewel de prijs gedaald is, zal de bank waarschijnlijk dezelfde redenering maken als de verhuurder, en in de interestprijs een risicopremie inbouwen. Men zal dat objectiveren door loonbrieven op te vragen en het spaarprofiel te bekijken, maar het resultaat zal hetzelfde zijn: migranten zullen zich enkel ondermaatse huisvesting kunnen veroorloven. Het inflatoire effect van restricties keert dan terug.

Ik zie vijf oplossingen, met een veel minder ingrijpende wetgeving dan praktijktests:
  1. Vergroot het marktaandeel van sociale huisvestingsmaatschappijen, creëer zo een monopsonie op het lagere segment van de huurmarkt, en laat de echte probleemgevallen nog steeds vrij onderhandelen zodat de maatschappijen de gewenste huurders zijn voor de huiseigenaars.
  2. Verplicht huurders een schadeverzekering af te sluiten, en verplaats de risicoinschatting van de verhuurder, die eenvoudige heuristiek gebruikt, naar professionele makelaars. Daarna kan men praktijktests doen om het effect van die wet op te volgen, niet om de verhuurders te bekeuren. Normaal zou er dan minder discriminatie moeten zijn ten opzichte van de nulmeting.
  3. Sta toe dat migranten een pseudonym gebruiken. Veel Aziaten, met name uit Hong Kong en Taiwan, hebben een geboortenaam en een verwesterde naam. Als daar het taboe rond sneuvelt, krijgt men het effect van een auditie achter gordijnen.
  4. Immokantoren en sociale huisvestingsmaatschappijen werken in België in opdracht van de verhuurder, voor wie er een kost aan verbonden is (een premie, dan wel een lagere verhuurprijs). Het zou goed zijn mochten er ook bemiddelaars voor de huurder zijn.
  5. Een (ver)huurdersboekje met referenties, naar allegorie met het beruchte werkmansboekje, waardoor men een (ver)huurdersscore kan voorleggen op basis van vorige (ver)huurcontracten.

dinsdag 29 oktober 2019

Groeigedreven inflatie, in mensentaal

Als er economische groei is, volgt inflatie, maar hoe kan je dat aan een leek uitleggen?

Stel je voor dat een producent z'n productiviteit met 10% kan opdrijven en alles verkocht krijgt aan de lopende prijs. Er zal dan meer liquiditeit nodig zijn, dus de monetaire basis moet vergroten, zoniet is er hetzij een overproductieprobleem, hetzij deflatie als de prijzen dalen. Dat zou leiden tot het uitstellen van consumptie tot de goederen lager geprijsd op de markt komen, of er in elk geval van uitgaande dat het geld dat opzij gezet is, in de toekomst meer waard zal zijn. Dit is destructief voor de economische groei.

De centrale bank heeft dus geen andere keuze, wil ze prijsstabiliteit garanderen, dan om geld bij te drukken zodat de groei mogelijk is. Aangezien voornoemde producent meer middelen heeft, kunnen zijn leveranciers en dienstverleners daar ook een graantje van meepikken. Zij verhogen hun prijzen, maar niet hun productiviteit. Het gevolg: de nominale economie groeit, maar de reële economie niet. Het verschil is inflatie, namelijk ontwaarding van de munt. De centrale bank kan dit binnen de perken houden door de rente te verhogen via een hogere interest op de reserves die de banken aanhouden, waardoor er meer gespaard wordt, of door via openmarktoperaties overheidspapier te verkopen, wat geld uit de omloop haalt en bedrijven verplicht om eigen obligaties aan een hogere rente te verkopen, aangezien het aanbod aan papier is toegenomen.

dinsdag 12 februari 2019

Tegen beter weten in

Na de spijbelaars, de stakers. Het politiek debat in België verplaatst zich woensdag weer naar de straat, en ondanks de lichte frictie die zoiets veroorzaakt, is er geen sprake van een crisis. Want hoewel we jaar na jaar qua stakingsdagen en protestmarsen andere Europese lidstaten het nakijken geven, leidt dit niet tot de chaos die bijvoorbeeld Frankrijk teistert, of de sociale verdeeldheid in de rest van Europa die de Europese Unie bedreigt. Onze protesten zijn namelijk niet revolutionair, maar moeten gezien worden als een drukkingsmiddel dat deel uitmaakt van democratische besluitvorming. Terwijl president Macron met town hall-meetings het sociaal overleg persoonlijk probeert over te nemen, hebben wij in België het kader en de traditie om dit op een georganiseerde manier te laten verlopen. Geen gele hesjes, maar groene, rode, en blauwe. Het twistpunt nu is in de eerste plaats het interprofessioneel overleg dat sinds de vernieuwde loonnorm sterk aan banden gelegd is: door een veiligheidsmarge van minstens 0.5% in acht te nemen en de lonen te koppelen aan de evoluties in Frankrijk, Nederland, en Duitsland, is de vooropgestelde maximale loonstijging 0.8% voor de komende twee jaar. De wet laat niets anders toe.

In het IPSWICH-project[i] in het kader van het Belspo-BRAIN onderzoeksprogramma bestudeerden we de problematiek van werkende armen met een institutionele bril op, en daarin komt de collectieve loonvorming centraal te staan. Johan Albrecht en Bruno Merlevede legden in De Standaard van 2 februari al de link tussen de opkomst van de werkende armen en de onlusten in Frankrijk, die een kostenplaatje van ettelijke miljarden en meerdere slachtoffers met zich meebrachten. Aangezien het loon van een Franse werknemer die meer dan het minimumloon verdient niet automatisch geïndexeerd wordt, ziet deze bij elke prijsstijging de armoedegrens naderen en dit voedt het ongenoegen. Omdat het sociaal overleg in België veel verder staat, zijn de lonen welvaartsvast en is het aandeel werkende armen al twintig jaar onveranderd bij de laagste van Europa. De loonnorm van 1996 was bedoeld als een manier om die ondergrens te vrijwaren, maar tegelijk een ontsporing van de loonkosten te voorkomen. Vanaf 2009 heeft men met crisismaatregelen de marge echter sterk gereduceerd, met daarbovenop het bevriezen van de index in 2015, en sinds 2017 is de loonmatiging wettelijk verankerd. Ons onderzoek heeft aangetoond dat daardoor de loonverdeling onaangeroerd is gebleven: ook sectoren met minder groeimarge gingen immers de loonnorm vooropstellen. Als de vraag naar deze producten en diensten niet erg prijsgevoelig is, hoeft dat geen probleem te zijn.

Toch is de krappe loonnorm een onnatuurlijk gegeven: enerzijds worden de sectoren en bedrijven in slaap gewiegd of gaat men op allerhande manieren proberen de loonnorm te omzeilen, wat tot niet-geobserveerde ongelijkheid leidt, en anderzijds kan je geen stabiel loonaandeel in het BBP bekomen wanneer de groei van lonen geplafonneerd is maar de groei van kapitaalopbrengsten niet. Dat is geen duurzaam scenario dat men op Europees niveau kan veralgemenen zonder opnieuw op een crisis af te stevenen.[ii] Een minimale marge om economische groei om te zetten in brutoloonstijgingen en niet in cheques, auto's, aanvullende pensioenen of winstdeelnames, zou het sociaal overleg activeren en efficiënter maken, en het laat zelfs een verlaging van de belastingsvoeten toe. Binnen het keurslijf van de huidige loonnorm is zo'n vereenvoudiging evenwel onmogelijk. Meer principieel kan men zich afvragen of het niet in strijd is met het subsidiariteitsbeginsel om de loonvorming quasi volledig aan de overheid over te laten, met één vaste norm voor de hele economie, die enkel gericht is op kostencompetitie. De loonnorm is vaak geïnterpreteerd als ruggensteun voor de werkgeverszijde, maar geldt dit nog met de huidige arbeidsmarktkrapte, en wat als er geen akkoord komt? De sociale partners hebben er dus beide belang bij hun onafhankelijkheid terug te winnen. Alvast de vakbonden laten straks van zich horen, in navolging van de scholieren, tegen het beter weten in.

[i]Ipswich-project gefinancierd door Belspo-BRAIN (2018): 'Werkende armen en veranderingen in werk, inkomen, en de gezinssamenstelling'
http://www.belspo.be/belspo/brain-be/themes_4_Strategic_nl.stm#IPSWICH https://hiva.kuleuven.be/sites/ipswich

[ii]CAWIE III 'Inclusive Growth in Europe after Austerity' (2018), gefinancierd door de Europese Commissie https://hiva.kuleuven.be/sites/cawie3

woensdag 23 mei 2018

Super Mario en het pensioen op punten

Toen de drievoudige ex-wereldkampioen Mario De Clerck besliste om op zijn 50ste te stoppen als sportdirecteur in het veldrijden, verwees hij naar zijn voorgangers die geen eeuwig leven beschoren waren: "ik weet wat zij ervoor hebben gedaan, en hoelang zij van hun pensioen konden genieten, en ik weet wat ik voor de sport heb gedaan." Een goed verstaander begrijpt dat de medische begeleiding van topsporters niet noodzakelijk levensverlengend is.

Mario De Clerck zal zeker nog tijd nodig hebben om te schrijven aan zijn langverwachte novelle op basis van zijn fictief dopingdagboek, en hij maakt de juiste redenering: in plaats van alle burgers een gelijke loopbaan te geven, kunnen we hen misschien beter gelijkstellen in de periode waar men kan genieten van z'n oude dag. Tijdens de loopbaan moeten dan compensaties gegeven worden voor de effecten op de levensverwachting van een slopende baan.

Dat levert twee problemen op: ten eerste weet men niet precies wanneer men gaat sterven en is dat op zich een taboe-onderwerp, ten tweede is dit niet één-op-één aan een beroep te linken. Het huidige debat over zware beroepen gaat daarom over de verschillende pensioenleeftijd voor verschillende beroepscategorieën, maar negeert verder het feit dat hetzelfde beroep tot een verschillende fysieke en mentale belasting kan leiden. In het pensioensdebat is er daarom ook niemand die een plan heeft om de werkenden effectief in staat te stellen om te blijven werken tot de verhoogde pensioenleeftijd.

Hoe kan het wél: stel je voor dat we de wielersport als een aberratie blijven beschouwen, maar andere werkenden vanaf 55 de vrije keuze laten om op pensioen te gaan. Daarbij krijgen ze een basispensioen dat gekoppeld is aan de levensduurte, en een bijkomende verdeling van de pensioensafdrachten volgens het puntensysteem. Als men 40 punten heeft verzameld, tegenover een gemiddelde van 60, dan krijgt men dus 2/3de van een gemiddeld pensioen. Dit bedrag is ook nog eens degressief: na 15 jaar is de pensioenspremie bovenop het basispensioen uitgedoofd. Er staat dus een soort gelijke limiet op de pensioensduur. Bovendien kan men het repartitiesysteem altijd bekostigen, en heeft elke generatie er baat bij de beste economische structuur achter te laten om de koek te vergroten waar men later aan knabbelt.

Wat is het gedragseffect van zo'n systeem? Vooreerst zal iemand die langer denkt te kunnen werken, dit vrijwillig doen: hij of zij kan meer punten verzamelen, en zal verwachten minder lang op enkel het basispensioen aangewezen te zijn. Een andere werknemer zal echter door gezondheidsrisico's een lagere levensverwachting hebben, wat zich vertaalt in een hogere prijs van vrije tijd naarmate de jaren vorderen, en dus een hoger reservatieloon. Als het loon dat niveau niet haalt, zal men uit de arbeidsmarkt stappen, en kan men nog enig genot hebben van z'n pensioen. Mocht dat langer duren dan verhoopt, dan is de extra tijd mooi meegenomen. Bovendien zijn allerlei flexibele scenario's mogelijk waarbij men terugkomt uit pensioen en alsnog een paar jaar werkt. Om werknemers met een zware baan langer in dienst te houden zal de werkgever dus ofwel de arbeidskwaliteit moeten verbeteren, ofwel het loon moeten verhogen. Dat klinkt toch als een normale logica, ook voor veldrijders. In de huidige omstandigheden wordt hij tegemoetgekomen door de overheid, die een vroegere uitstap zonder meer goedkeurt, maar daarbij alle werkgevers en werknemers over dezelfde kam scheert. Het hele debat over burnout, stress, en de algemene jobkwaliteit belandt zo weer in de onderste schuif van het sociaal overleg, en de hoogproductieve Belgische werknemer zal blijven werken tot hij erbij neervalt.






donderdag 26 april 2018

Belastingsdruk nergens zo hoog als in België

Een commentaar op een terugkerende klassieker: "Belastingsdruk nergens zo hoog als in België". https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2018/04/26/belastingdruk-nergens-zo-hoog-als-in-belgie/

Ik vraag mij af wat de zin is van zulke statistieken waar men je mee om de oren slaat. Stel dat men zou zeggen: nergens in de wereld kosten tractors zoveel als in België. Dan zou men denken: dat moeten goede tractors zijn, de landbouw zal daar wel productiever zijn in vergelijking met andere landen, of nog: daar worden schijnbaar mooie winsten geboekt om die tractors te kunnen aankopen. Dat zou goed nieuws zijn.

Hoge belastingen, want een dure overheid, dat wordt geframed als slecht nieuws. Misschien is het dat ook: misschien, in tegenstelling tot een kwalitatieve tractor, is de overheid een logge machine, en zijn de belastingen een 'zotte kost'. Uiteindelijk moet men de eindrekening maken: hoe welvarend zijn de Belgen (het productief wordt het land bewerkt), en hoe ongelijk is het welzijn verdeeld (deelt iedereen in de oogst). Daarin schuilt de opdracht van de overheid als herverdeler en economische multiplicator. De overheid kan door administratieve vereenvoudiging ook efficiënter worden, dat wil zeggen een grotere multiplicator voor dezelfde belastingdruk, of een lagere belastingdruk voor dezelfde multiplicator, met dus een vergroting van de welvaart zonder welzijnskosten. De staatssecretaris voor administratieve vereenvoudiging is Theo Francken, een pedagoog die zich tot nu toe alleen met asiel en migratie heeft bezig gehouden. Dat is het zwakke punt van de regering Michel, die nochtans met het OESO-rapport zal zwaaien om veranderingen te eisen, of in de volgende regering door te drukken, maar er dus vandaag geen werk van maakt.

dinsdag 17 juni 2014

Waarom onderhandelen over anciënniteit?

Een stuk over anciënniteit naar aanleiding van een debat in De Zevende Dag (16/6/2014) waarin Groen pleitte voor hogere starterslonen en het sociaal model dat ouderen bevoordeelde in vraag stelde.

Hogere startlonen, een sterkere loongroei in de eerste jaren, of een vlakkere looncurve: het lijkt beter aan te sluiten bij de wensen van de werknemers. We zouden namelijk willen dat het loon het wijzigende consumptiepatroon volgt over de levensloop, maar dit maakt de rekening van de werkgever niet. Die gaat voort op de verwachte productiviteitsstijging. Daarom kunnen, in functies waarvoor ervaring belangrijk is, cao-afspraken rond anciënniteit gemaakt worden. Merk op dat arbeidsjurist Marc De Vos, directeur van Itinera en zetelend in de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid, nog steeds verwijst naar leeftijdsbarema's, hoewel die op sectoraal niveau al sinds 2009 zijn afgevoerd, en nu ook verdwijnen voor het nationaal minimumloon. Lonen zijn nu gekoppeld aan ervaring, omdat ervaring gekoppeld is aan productiviteit. Dat is klassieke arbeidseconomie.

Als werknemers een hoogtepunt van productiviteit kennen, dan ligt dit waarschijnlijk niet op 65 jaar. De productiviteitscurve is wat men noemt concaaf: een bult. Daarom zijn de anciënniteitstrappen beperkt in de tijd. Er is naar mijn weten geen enkele sectorale cao waarin een werknemer die op z'n twintigste anciënniteit begint te sprokkelen, na 25 jaar, dus halverwege de veertiger jaren, nog een anciënniteitsverhoging geniet in dezelfde functie. Voor wie later instroomt kan dit uiteraard wel, net door het afschaffen van de leeftijdsdiscriminatie, maar bij een verandering van functie of sector wordt de teller eerst weer op nul gezet. De extra's om op gelijke hoogte te komen met leeftijdsgenoten met meer anciënniteit, moeten dan individueel onderhandeld worden. Dit is al bij al een behoorlijk liberaal systeem, waardoor de stelling dat oudere werknemers te duur zijn, gedateerd lijkt.

Echter, wanneer na de productiviteitspiek de lonen niet dalen, dan is er opnieuw een onevenwicht. Daar zijn een aantal adaptaties voor. Nu is ten eerste het zo dat loondalingen economische fictie zijn. Zelfs in crises zit niemand daarop te wachten (lees Bewley 1999 'Why wages don't fall during a recession'). In dat geval zal de toekomstige meerkost verrekend worden in het loon op het hoogtepunt van de carrière. Dit vereist een grote mate van loyauteit, die kan afgedwongen worden door ontslagbescherming, en eventueel door een gevoel van betrokkenheid. Een tweede aanpassing is het toelaten van enige onderhandelingsmarge zodat het collectief onderhandelde loon de productiviteitsstijging niet langer volgt op een niveau dat na de piek niet kan worden aangehouden - vandaar ook dat de extra verhogingen met de jaren kleiner worden. Een derde aanpassing is het omkeren van de causaliteit loon-productiviteit: men moet investeren in ergonomie, vaardigheden, verantwoordelijkheid, en gezondheid. Zo blijven werknemers langer hun centen waard. Als die adaptaties niet baten, dan moet demotie kunnen worden besproken.

Wat collectieve onderhandelingen doen, zowel voor anciënniteit als bij indexering, is niet het verhogen van de lonen of de loonkost, maar het beperken van de loonspreiding en coördineren van speltheoretische problemen, waarbij een gezamenlijke strategie voor iedereen meer oplevert dan elke individuele nutsmaximalisatie. Zonder een lineair automatisme - zelfs als dat procentueel is - zouden bepaalde werknemers niets krijgen, en andere méér. Collectieve onderhandelingen verankeren de relatieve loonverschillen tussen functies die nodig zijn om voldoende arbeidsinzet te creëren, en ze zorgen voor een gelijkere verdeling onder werknemers aan dezelfde kostprijs voor de werkgevers.

Samengevat: het verband tussen loon en ervaring is natuurlijk, deels ingegeven door toenemende productiviteit, deels door loyauteit. De mate waarin dit collectief onderhandeld wordt beperkt de loonongelijkheid en komt zo tegemoet aan de risicoaversie van werknemers. Het is een beperkte solidariteit binnen een sector, die bijvoorbeeld niet bestaat tussen arbeiders, die zelden anciënniteitsstijgingen krijgen, en bedienden, die een hoger en sneller toenemend loon hebben. Men kan het rechtvaardiger vinden als tussen arbeiders en bedienden, of tussen jongeren en ouderen, meer gelijkheid bestaat, maar dat is een zaak van herverdeling. De overheid kan dat dit voor haar rekening nemen via progressieve belastingen of goedkope leningen aan werknemers die de nodige middelen nog niet ter beschikking hebben. Het sociaal overlegmodel hoeft daarvoor niet in vraag gesteld te worden.

woensdag 19 februari 2014

Modelspecificatie: RESET test

Ramsey's specificatietest (RESET test) onderzoekt of er quadratische of kubieke termen moeten toegevoegd worden aan het model. Het komt neer op een F-test voor de gecombineerde significantie van de coëfficiënten van de toegevoegde voorspelde waarden uit een lineair model.

maandag 11 februari 2013

Algoritme voor een longitudinale, representatieve steekproef

Nemen we twee types steekproeven:
  • Longitudinaal: steekproef in jaar t, eenheden opgevolgd door de tijd
  • Cross-sectioneel: steekproef in jaar t, steekproef in jaar t+1, t+2, ...
Men zou denken dat deze benaderingen onverzoenbaar zijn. Nochtans is er een algoritme dat toelaat steeds representatief te blijven, én over longitudinale gegevens te beschikken.

Dit voorbeeld kan toegepast worden op de selectie van werknemers, waar de populatie afhankelijk is van de werkloosheid.

Jaar t
Men neemt een steekproef, bijvoorbeeld 25% van de populatie.

Jaar t+1
Er is uitstroom uit de populatie. Dit is geen probleem: aangezien de steekproef aselect is verwachten we dat de sample een gelijke uitstroom heeft. We behouden eenvoudigweg de cases uit jaar t.
Er is ook instroom. Hieruit moeten we opnieuw 25% gaan selecteren.

Jaar t+2
Uitstroom en instroom zullen zich telkens herhalen zoals in jaar t+1.
Er is ook herinstroom in de populatie. Dit betekent voor onze steekproef dat we alle ooit geselecteerde eenheden moeten opvolgen, en opnieuw opnemen als ze terug in de populatie komen. Zij blijven namelijk altijd 25% van het gelijkaardig segment (de herinstroom) vertegenwoordigen. De steekproef blijft dus representatief.

donderdag 6 september 2012

Arme West-Vlamingen

Een tijdje geleden vroeg een journaliste mij uitleg bij een opvallende statistiek. Uit de loonstructuurenquête bleek dat de West-Vlamingen minder verdienen dan de meeste Walen (!). Ik vind het artikel waarop ze zich baseerde niet onmiddellijk terug, maar hier staat iets gelijkaardigs.

Na wat uitleg over arbeidsmobiliteit en de methodologie (de SES-enquête houdt de lonen bij op basis van de werkplaats en enkel voor bedrijven met meer dan tien werknemers) besloot ik dat de rijkdom in West-Vlaanderen allicht niet bij de werknemers zit.

Deze vakantie ontmoette ik dan een arme Amerikaan uit Montana. Dus dacht ik het regionaal GDP/BBP van Montana te vergelijken met dat van West-Vlaanderen. Montana, met ca. 900 000 inwoners, haalt 36 miljard USD. West-Vlaanderen, met 1 160 000 inwoners, 34 miljard EUR (in 2009). Close match, ook per capita. Maar dit rapport van Eurostat toont meteen ook aan dat het regionaal BBP van West-Vlaanderen helemaal niet lager is dan dit van Oost-Vlaanderen en Limburg. Antwerpen, Vlaams & Waals-Brabant scheren weliswaar hogere toppen, maar zo arm zijn die West-Vlamingen dus niet. Ik denk dat dit het bewijs is voor mijn fameuze quote.

woensdag 4 januari 2012

Heteroskedasticiteit

deze post is herzien op 11-2-2013

Theorie

Homoskedasticiteit is een centrale assumptie in OLS, en betekent de fout niet varieert volgens de waarden van het model, dat is wenselijk (als in 'homofilie'). Bij heteroskedasticiteit wordt hier dus aan gezondigd. Deze assumptie kan met andere technieken (GMM, ML) weggenomen worden.

Testen

Er zijn twee populaire testen voor heteroskedasticiteit: Brausch-Pagan en White. Het idee is gelijkaardig: bij Brausch-Pagan gaan we de gekwadrateerde fout $ ( y - \hat{y})^2 $ (de restvariantie) regresseren op een quadratische functie van de voorspelde waarde $ \hat{y} $.

Bij White regresseren we op alle andere (unieke) verklarende variabelen in het model. De R² van dit model geeft aan of er heteroskedasticiteit is. Idealiter is R² hier zeer laag. De teststatistiek voor de nulhypothese is:

nR² -> Chi²(m), met m = aantal variabelen in het model

Referenties

  • White test: Hayashi 2000, p. 131

woensdag 31 augustus 2011

Factoranalyse

Een zeer korte handleiding voor factoranalyse:

Waarom factoranalyse

Factoranalyse is een datareductiemethode, waarbij gezocht wordt naar latente variabelen die een set van variabelen samenvatten. Het vertrekt daarom van de correlatiematrix van deze geobserveerde variabelen.

Voorbeeld: leerlingen leggen op het eind van het jaar twaalf testen af. Een exploratieve factoranalyse zou aan het licht kunnen brengen dat dit eigenlijk slechts drie vaardigheden toetst.

  1. Taalvakken: Nederlands, Frans, Engels, Duits
  2. Analytische vakken: wiskunde, natuurkunde, scheikunde, logica
  3. Kennisvakken: geografie, biologie, geschiedenis, esthetica
Een confirmatorische factoranalyse werk op de omgekeerde manier: 

Let op!


  • Controleer eerst de correlatiematrix: enkel variabelen die een correlatie boven .30 met andere variabelen hebben dienen te worden weerhouden.
  • Gebruik geen factoranalyse als de correlatie tussen variabelen niet aan een latente factor te wijten is maar bijvoorbeeld aan de distributie van de populatie op irrelevante kenmerken.

Scree plot



Assumpties
Dezelfde als voor correlaties: normaal verdeelde, continue variabelen. Heb je ook of enkel ordinale of binaire data, dan moet je vluchten naar polychorische principale componentenanalyse (het trage en onoverzichtelijke polychoricpca in Stata of de complexe explorative factoranalyse in Mplus).

Eigenwaardes
Als een vuistregel gebruikt men Kaisers criterium (Kaiser's criterion) dat zegt dat eigenwaardes groter dan 1 moeten zijn. Alternatief kan je kijken naar relatieve sterke dalingen van de eigenwaarde, naar de cumulatieve voorspelde variantie, naar de factorsterkte (Mplus: > .9) of naar bepaalde significantiematen (Mplus: RMSE). 

Rotatie
Om de geobserveerde variabelen te scoren op een bepaalde matrix zijn er verschillende mogelijkheden. Orthogonale rotaties of oblique rotaties. Voor zover ik het begrijp zijn de dimensies in een orthogonale rotatie niet gecorreleerd (denk aan een kruis met rechte hoeken), terwijl dit in oblique rotaties wel het geval is (een kruis met scherpe en stompe hoeken). De vergelijking met kruisen gaat natuurlijk enkel op in twee- of driedimensionele omgevingen. De richting van de rotatie wordt bepaald door de te maximaliseren of minimaliseren afstand:
  • Varimax: maximaliseert per factor de variantie van de ladingen op deze factor
  • Quartimax (~oblimax): maximaliseert per variabele de variantie van de ladingen op de verschillende factoren
  • Geomin (Mplus), oblimin, equamax, ...
Er zijn slechts vuistregels omtrent de interpretatie van de factorladingen. Vanaf .400 en zeker vanaf .600 spreken we van hoge ladingen, al hangt het telkens af van de rotatiemethode.
Links
Yahoo Answers: What are difference between varimax, quartimax and equamax rotation in factor analysis? - http://answers.yahoo.com/question/index?qid=20080616044600AAnsCc4

woensdag 20 oktober 2010

Word of LaTeX?

Dingen die goed werken, interesseren mij, en men zegt dat LaTeX goed werkt. Effectief, de output ziet er behoorlijk uit. Saai, maar consistent. Die twee dingen gaan samen en zijn voor bepaalde opdrachten gewenst.

Maar wat er bij mij niet ingaat is hoe je een tekst kunt schrijven in LaTeX. De markup code stuurt je in de war en tijdens het typen is de bladspiegel niet om aan te zien. Hou er rekening mee dat veel, zo niet de meeste, teksten vooral gelezen worden vóór ze afgedrukt of gefinaliseerd worden. Dat heet dan een werkdocument.

Eén optie is te starten in Word, en de finale versie in LaTeX te maken indien nodig. In veel gevallen zal dat niet kunnen, omdat er bijvoorbeeld een template opgelegd wordt door een consortium of een opdrachtgever.
  • Type de tekst in Word, tenzij er wiskundige afleidingen in voorkomen, dan ga je meteen aan de slag in LaTeX.
  • Exporteer het bestand (.doc) naar LaTeX (.tex) met Word-to-LaTeX
  • Maak de tabellen altijd in Excel
  • Converteer de tabel naar LaTeX met Excel2latex
  • Voeg de tabellen in en check de cross-references
  • Kuis de opmaak
    • \title{titel hier} in de heading
    • \data{datum hier} in de heading
    • \maketitle als titel
    • \section{} en \subsection{} als titels van de paragrafen
    • \usepackage{verbatim} in de heading en \begin{comment} \end{comment} om tijdelijk syntax weg te laten (vb. uit Word overgenomen marges)
Voordeel: je ziet meteen een behoorlijke tekst en moet alleen kleine wijzigingen doorvoeren in de .tex-file.
Nadeel: met het gratis programma worden formules overgenomen als afbeeldingen. Je kan ze dus niet bewerken. Er zijn enkele betalende alternatieven, zoals GrindEQ, die dit wel kunnen. Ze doen het echter niet noodzakelijk beter voor andere omzettingen.

De tweede optie is meteen een LaTeX document maken.

  • Werken met twee schermen is een must.
  • Voor documenten met veel verwijzingen, grafieken en formules is dit een must.
  • Grafieken kan je in één map plaatsen als pdf's, aangeduid via graphicspath. De kwaliteit van vectorafbeeldingen is niet te evenaren met .jpg/.bmp/.png of zelfs .tiff. Word kan overweg met .emf en .wmf, maar microsoft ontmoedigt deze formaten zelf in de recentere windows versies. Bovendien blijft consistent schalen een probleem in MS Office en is de controle over de bladspiegel onmogelijk. LaTeX daarentegen heeft eigen algoritmes om figuren een plaats te geven, die je desnoods kan overrulen.
  • Je kan de tex-file altijd downgraden naar een ander soort tekstbestand. Er is een optie om te exporten naar html en naar rdf, maar ik heb die nog niet aan de praat gekregen.
  • Het grootste probleem zijn de vreemde tekens, waar LaTeX niet mee overweg kan: een ö wordt in LaTeX \"{o}. Voor ç, û, etc. gelden gelijkaardige problemen. LaTeX verstaat deze karakters echt wél mits het oproepen van inputenc: \usepackage[utf8]{inputenc}. Dat kon gebruiksvriendelijker, natuurlijk.
  • Ik heb geen idee of de bibliografie dan ineens mee geëxporteerd wordt. Laten we het hopen.

Links

woensdag 13 oktober 2010

LaTeX

Update 20-06-2013

Probleem

Na heel wat uren turen onder de Office-motorkap blijven veel problemen onopgelost. Vooral Word werkt soms tegen:
  • Nummering van hoofdstukken en secties
  • Insluiten van vectorafbeeldingen
  • Dimensies van tabellen
  • Cross references naar tabellen en grafieken
  • Inhoudstabellen
  • Paginanummering, first pages en secties
  • Paginadimensies, illustraties
  • Compatibiliteit illustraties in Excel, Powerpoint en Word
  • ...
Met andere woorden, het is een boeltje. Ondertussen hoor je dat er een markuptaal bestaat die al die zaken onder controle houdt, LaTeX. Ik experimenteer daar ondertussen al even mee.

Het systeem

Zoals veel dingen uit de alternatieve wereld van computernerds zijn de interfaces van de programma's onoverzichtelijk en is de installatie al meteen problematisch. In essentie heb je twee programma's nodig.

Eén: een 'parser', een programma dat de code omzet in - laten we zeggen - een pdf'je. Dat kan MikTeX zijn of TexLive. Het komt allemaal op hetzelfde neer. Je moet wel de toepassing tex.exe weten te localiseren (onder Windows). Ik heb TexLive geïnstalleerd om alternatief te doen.

Twee: een frontend of editor. Dat kan bij wijze van spreken kladblok zijn, maar het is interessanter om een programma te gebruiken waar bijvoorbeeld knoppen met shortcuts voor bepaalde commando's reeds in aanwezig zijn en waar je met een muisklik het document kunt naar de parser sturen. Ik gebruik hiervoor TexMaker. Meer populair is TexnicCenter, en voor sommige mensen de tussenslag LyX, die reeds een indruk geeft van je output. Ter vergelijking: in Word zie je quasi exact de uiteindelijke output.

Mijn ervaring:
  • LyX: nutteloos, je kan de LaTeX code niet wijzigen (!)
  • TechnicCenter: oeverloos, er komt geen einde aan de foutmeldingen, zelfs voor een goede file
  • TexMaker: heel erg goed, overschrijft je pdf's en je opent ze met de interne viewer in no time
Je kan ook alles online laten geschieden. Een briljant idee, maar het werkt nog niet zo goed. Zie:

Voordelen

  • Het ziet er goed uit - je hebt standaard een heel wetenschappelijke stijl, en met XeTeX wordt het zelfs artistiek.
  • Systematiek is heilzaam.

Nadelen

Eerste grote nadeel: samenwerken. Iets als track changes bestaat wel, maar ik durf mij er eerlijk gezegd niet aan wagen, laat staan om iemand anders te dwingen LaTeX te begrijpen.

Tweede nadeel: cite while you write blijft een beetje klungelig, want je moet in de .bibtex-file keys bepalen voor de referenties. Vanuit Zotero wordt dit automatisch gedaan, maar afhankelijk van de gebruikte plugin krijg je andere keys. Die zijn te manipuleren in JabRef, maar dit kan in feite enkel op het laatste moment wanneer je een definitieve, en paper specifieke referentielijst hebt, zoniet wordt je werk toch telkens overschreven.

Derde gigantische nadeel: tabellen. Probeer in HTML een tabel te maken: dat gaat niet. In LaTeX is het net zo. Je doet er dan ook best aan om te werken via Excel en een plug-in. Dat voorspelt wel problemen, uiteraard. Enkele links:
Voor het gebruik van booktabs moet je in de 'preamble' of 'head' de volgende lijn toevoegen:

\usepackage{booktabs}

Vierde nadeel: als er een fout in de code zit, krijg je geen output. Begin dan maar te debuggen.

Nog kritiek:
Links

maandag 5 oktober 2009

Vrijheidsgraden

Niemand weet precies wat vrijheidsgraden zijn, maar in de statistiek kan je er niet omheen.

De intuïtieve interpretatie is dat vrijheidsgraden het maximum zijn van de onafhankelijke rijen en kolommen van je matrix waarop je een statistiek hebt berekend, gegeven de schattingen die reeds gebeurd zijn. Bijvoorbeeld: om een variantie te berekenen heb je eerst een gemiddelde nodig. Welnu, je gemiddelde kan variëren volgens alle eenheden in de steekproef, maar eens je een gemiddelde hebt, kan je steeds de waarde van de laatste eenheid berekenen. Je hebt dus één vrijheidsgraad opgesoupeerd.

Een Chi²-test en een t-test hebben één enkele vrijheidsgraadparameter, een F-test heeft er twee (teller en noemer), omdat dit een ratio-test is.

Meer vrijheidsgraden betekent dat de test minder extreme waarden moet hebben om toch op een significante afwijking van de (nul)hypothese te wijzen.

zondag 20 september 2009

Kookboek statistiek

De mensen van UCLA hebben een walk through voor de REGRESSION proc in SPSS (en Stata en SAS) gemaakt. Extreem handig is het hoofdstuk Regression Diagnostics. Ze leggen uit hoe je de assumpties toetst:
  • Outliers en hun leverage (invloed op de coëfficiënten)
  • Homoskedasticiteit
  • Lineariteit: Q-Q plot, skewness, kurtosis
  • Onafhankelijkheid van de waarnemingen (vs autocorrelatie): Durbin-Watson test

dinsdag 15 september 2009

Elasticiteiten


LaTeX using MathJax.


Update na aanpassing taal & structuur en revisie door Bart Capeau. Zijn bijdrage bevat trouwens evenveel wijsheid in minder woorden.

Probleem

Sommige gewoontes hebben we eenvoudigweg overgenomen. Als een leek dan interesse toont, is een verklaring meestal half zo gestructureerd als zijn vraag. Het meten van elasticiteiten door variabelen als logaritme te formuleren getuigt van zo'n bedrieglijke eenvoud. 

Uitleg

Voor het meten van de Wage Curve hebben we het loon gelinkt aan de werkloosheid. Lineair ziet zo'n functie eruit als volgt:
$$ W = A + bU $$
Met loon W, intercept A, werkloosheid U en coëfficiënt b. Stel nu dat we deze oefening maken in 87 landen, en we beschikken niet over een systeem om de lonen in prijspeilpariteiten uit te drukken. In dat geval hebben we nood aan een dimensieloze coëfficiënt b. Dat kan door te standaardiseren, maar we willen liever nog een stap verder gaan en uitdrukken hoe de relatieve verandering in één variabele zich verhoudt tot de relatieve verandering in een andere. Dat is niet zo'n exotische vraag als het lijkt, enkele voorbeelden:

  • Als de kans op winst verdubbelt, hoeveel procent meer mensen zullen dan op de lotto spelen?
  • Als je een bonus krijgt van een kwart van je inkomen, hoeveel meer auto's komen er dan in je garage staan?
Dit zijn vragen naar boogelasticiteiten, waarbij een toename expliciet gemaakt wordt. Stel je een grafiek met een convexe curve voor en een beweging langs die curve als een 'boog': dàt effect zal als elasticiteit, dus relatief ten opzichte van de startniveaus, worden uitgedrukt. Een puntelasticiteit daarentegen is de verandering voor een verwaarloosbaar klein verschil: men blijft bij wijze van spreken in één punt op de curve. De meeste mensen zullen spontaan een afgeleide van de functie maken om het effect te bekijken. Terecht, de puntelasticiteit is de relatieve uitdrukking van zo'n afgeleide. Tot slot is het mogelijk dat er geen verschil is tussen de boogelasticiteit. In dat geval spreken we van een constante puntelasticiteit is.

De gepaste econometrische oplossing voor het meten van puntelasticiteiten is het nemen van de log van de afhankelijke variabele en de onafhankelijke variabele waarvan je de elasticiteit wil berekenen. Controlevariabelen mogen in elke vorm verkeren. In het voorbeeld hieronder is er slechts één variabele aan de rechterzijde van de vergelijking, namelijk de werkloosheid U.

$$ \ln(W) = A + d \ln U $$
Laten we dit eens exponentiëren:
$$ W = \exp(A + d\ln U ) $$
Zo krijgen we een uitdrukking met factoren:
$$ W = \exp(A) \exp(d \ln U) $$
$$ W = \exp(A) \exp(d)^{\ln U} $$
Hier staat dat een vermeerdering van de werkloosheid met 1 log (dit is factor e ~ 2.72) een verandering in het loon met factor $ \exp(d) $ teweeg brengt. Een andere uitdrukking is:
$$ W = \exp(A) U^d $$
Bijgevolg is de verandering in W gelijk aan
$$ \frac{W'}{W} = \left(\frac{U'}{U}\right)^d $$
We zullen nu aantonen dat $d$ de puntelasticiteit is. Definiëren we daartoe de boogelasticiteit BE:

$$ \begin{aligned} BE & = \frac{\frac{W'-W}{W}} {\frac{U'-U}{U}} \\
& = \frac{\frac{W'}{W}-1} {\frac{U'}{U}-1} \\
& = \frac{\left(\frac{U'}{U}\right)^{d}-1} {\frac{U'}{U}-1}
\end{aligned} $$

Als het verschil in U zeer klein is, delen we door nul. Een gewone rekenmachine kan dit niet bereken, maar we vertrouwen de stelling van L'Hopital dat in zo'n limietgeval de oplossing gelijk is aan de ratio van de afgeleides van tellen en noemer. Bij de teller is dit $d$, bij de noemer 1. De puntelasticiteit is dus $d$.

Context

Project Loonvorming: naast het verklaren van de loondrift onderzoeken we in welke mate economische schokken (i.c. werkloosheid) de loonvorming beïnvloeden. Volgens Blanchflower & Oswald is er een quasi universele 'wage curve' die gekenmerkt wordt door een werkloosheidselasticiteit van het loon van -0.10. We onderzoeken of hier variatie in bestaat naargelang de paritaire comités.

Referenties

Nijkamp & Poot (2005) 'Last word on the Wage Curve'
Samuel L Baker - Non linear regression
Bijdrage-van-Bart