vrijdag 14 september 2018

The labour share and disemployment

A Spanish unionist asked me what happens if productivity increases because of disemployment. Would the 'wage rule' still hold? The wage rule is that wages should follow productivity and inflation, in order to keep the wage share constant.

The answer is yes, because the composition of the work force and output have both changed. Suppose low-paid, low-productivity workers were dismissed, then the output per worker will increase, but as the high-productivity workers are already better paid, this implies a natural increase of the average wage. You don't have to negotiate anything. However, if there is an additional increase in productivity, because of productivity enhancing investments, that would be the basis for wage claims.

This choice implies that you stick with the 'single productivity' measure. Wage claims in one, suppose a labour-intensive, sector based on overal productivity growth will cause the labour share in that sector to further increase. Now, on the demand side it does not matter which sector delivers the disposable income, but at the labour market, deviations from the sectoral labour share derive from the production technology (the amount of capital and labour that is optimal for any production level). This implies that a shift in the structure of the economy will create imbalances: suppose well-paying sectors would entirely disappear and only the car industry remains with high output but low wages, then there would not be enough disposable income and either car prices would drop or wages should increase.

maandag 25 juni 2018

Marx' chicken and egg problem

Although I have read Capital, Vol. I, and I would recommend everybody to do so, it is actually very light on theory, and I never gave the economics much thought. My suspicion has always been that the so-called revolutionary economics of Marx was a description of value in equilibrium on a competitive market.

I am sure others have devoted proper attention to Marxist economics, but for the sake of amusement, and also because of the tiring ridiculous critique that a labourer can increase the value of its produce, according to Marx, by spending more time making it, I want to give it a try.

In economics, for profit maximisation, the first order condition for labour is that the wage (marginal cost) is equal to the marginal product (marginal revenue). This is very understandable: if an additional worker delivers more then he costs, the employer is most interested in recruiting the worker. Also, every worker before the last worker has delivered a greater discrete revenue, because of the law of diminishing returns, so that if all workers are paid the last (and highest) wage, the firm is still profit maximising.

Actually, this is a nice side-step: the firm has no other choice but to pay all workers this wage. The simplest example is when there are competitors, where workers can go to earn the equilibrium wage. In other words, and individual firm is a wage-taker,  and faces a perfectly elastic labour supply curve. But also in the case of a monopsony, the worker may quit the firm to be recruited back at a higher wage. What this implies is that the marginal cost of hiring an extra worker is actually above the supply curve. This is the reason monopsonists hire less workers at a lower wage, increasing their welfare but reducing overal welfare.

Either way, on the labour supply curve, the wage claims of workers are given. A worker will individually offer more working time for higher earnings. The price of one hour of work is the value of one hour of leisure. So anybody who claims that propensity to pay is the driving force of value is right and wrong at the same time: it is correct, but it can also go back to time and the willingness of employers to buy it from workers. And the employer is willing to pay according to the willingness of the consumers to buy the products produced. Hence it is a chicken and egg problem.

However, imagine a product is not in high demand at all, but requires exactly the same skills and schooling another product requires. The propensity to pay will be very low, and the product will not be produced, because the labour can be put to use  for another product at the desired wage level desired.

But then what defines the value of one hour of leisure? This might depend on what can be made and earned in that hour, which depends on what the consumer is willing to pay. Yet at the same time, it increases with schooling, that is a time investment, both of the worker and of his teachers. This investment has to be bought. Hence in both directions, again, we see that the product values the time, and time values the product. To me there appears to be no contradiction. One should know that the discipline of economics has evolved and great theories are now summarised in understandable graphs. The prosaic theories however, much like many continental philosophical ideas today, did not make the assumption as explicit and the interconnections between different markets as clear as do economic theories nowadays (or better, in a recent past, because the complexity of new theories has obscured the explicitness of assumption). Some people prefer that tradition, perhaps for political reasons, but for me it's not worth my time.

woensdag 23 mei 2018

Super Mario en het pensioen op punten

Toen de drievoudige ex-wereldkampioen Mario De Clerck besliste om op zijn 50ste te stoppen als sportdirecteur in het veldrijden, verwees hij naar zijn voorgangers die geen eeuwig leven beschoren waren: "ik weet wat zij ervoor hebben gedaan, en hoelang zij van hun pensioen konden genieten, en ik weet wat ik voor de sport heb gedaan." Een goed verstaander begrijpt dat de medische begeleiding van topsporters niet noodzakelijk levensverlengend is.

Mario De Clerck zal zeker nog tijd nodig hebben om te schrijven aan zijn langverwachte novelle op basis van zijn fictief dopingdagboek, en hij maakt de juiste redenering: in plaats van alle burgers een gelijke loopbaan te geven, kunnen we hen misschien beter gelijkstellen in de periode waar men kan genieten van z'n oude dag. Tijdens de loopbaan moeten dan compensaties gegeven worden voor de effecten op de levensverwachting van een slopende baan.

Dat levert twee problemen op: ten eerste weet men niet precies wanneer men gaat sterven en is dat op zich een taboe-onderwerp, ten tweede is dit niet één-op-één aan een beroep te linken. Het huidige debat over zware beroepen gaat daarom over de verschillende pensioenleeftijd voor verschillende beroepscategorieën, maar negeert verder het feit dat hetzelfde beroep tot een verschillende fysieke en mentale belasting kan leiden. In het pensioensdebat is er daarom ook niemand die een plan heeft om de werkenden effectief in staat te stellen om te blijven werken tot de verhoogde pensioenleeftijd.

Hoe kan het wél: stel je voor dat we de wielersport als een aberratie blijven beschouwen, maar andere werkenden vanaf 55 de vrije keuze laten om op pensioen te gaan. Daarbij krijgen ze een basispensioen dat gekoppeld is aan de levensduurte, en een bijkomende verdeling van de pensioensafdrachten volgens het puntensysteem. Als men 40 punten heeft verzameld, tegenover een gemiddelde van 60, dan krijgt men dus 2/3de van een gemiddeld pensioen. Dit bedrag is ook nog eens degressief: na 15 jaar is de pensioenspremie bovenop het basispensioen uitgedoofd. Er staat dus een soort gelijke limiet op de pensioensduur. Bovendien kan men het repartitiesysteem altijd bekostigen, en heeft elke generatie er baat bij de beste economische structuur achter te laten om de koek te vergroten waar men later aan knabbelt.

Wat is het gedragseffect van zo'n systeem? Vooreerst zal iemand die langer denkt te kunnen werken, dit vrijwillig doen: hij of zij kan meer punten verzamelen, en zal verwachten minder lang op enkel het basispensioen aangewezen te zijn. Een andere werknemer zal echter door gezondheidsrisico's een lagere levensverwachting hebben, wat zich vertaalt in een hogere prijs van vrije tijd naarmate de jaren vorderen, en dus een hoger reservatieloon. Als het loon dat niveau niet haalt, zal men uit de arbeidsmarkt stappen, en kan men nog enig genot hebben van z'n pensioen. Mocht dat langer duren dan verhoopt, dan is de extra tijd mooi meegenomen. Bovendien zijn allerlei flexibele scenario's mogelijk waarbij men terugkomt uit pensioen en alsnog een paar jaar werkt. Om werknemers met een zware baan langer in dienst te houden zal de werkgever dus ofwel de arbeidskwaliteit moeten verbeteren, ofwel het loon moeten verhogen. Dat klinkt toch als een normale logica, ook voor veldrijders. In de huidige omstandigheden wordt hij tegemoetgekomen door de overheid, die een vroegere uitstap zonder meer goedkeurt, maar daarbij alle werkgevers en werknemers over dezelfde kam scheert. Het hele debat over burnout, stress, en de algemene jobkwaliteit belandt zo weer in de onderste schuif van het sociaal overleg, en de hoogproductieve Belgische werknemer zal blijven werken tot hij erbij neervalt.






Wage indexation

I am personally much in favour of automatic wage indexation. This is often regarded as a rigidity and therefore as something bad. I don't quite see why.

Suppose you do not adjust wages to price levels. That means when there is inflation, labour supply should drop. The immediate result is a loss of welfare. Sure, this will lead to (individual) negotiations and maybe improved allocation in different jobs, but if not too much changes, you have menu cost only to end up in the same equilibrium.

Another way one might look at it is believing labour supply is totally inelastic. In that case, a drop in the real wage only changes the distribution of income, shifting the worker's surplus towards the employer's surplus. Granted, some people believe people should work at any price. There is no notion of freedom or even of a labour market in such a case. Furthermore, this price is then supposed to be set on a world product market, hence fully exogenous, which wouldn't exist for labour - so there could be no economic migration. This is not what we see in the world today.

Of course, if a single company would adjust the wages of it's employees to inflation, others would free-ride and undercut its position, taking the market. Therefore sectoral collective bargaining agreements are ideal. Another option is to organise indexation state-wide, but then second round effects (wage-price spirals) are more likely: indeed, if firms know that disposable income will change by two percent, they will be very inclined to increase prices with the same two percent. In case the adjustment is not timely or uniform, there is less temptation to do so. Obviously it is not fully true that disposable income increases, because prices have already increased when wages are adjusted.

Finally, the allocation issue in fact shifts from worker allocation to firm's market share when all wages are adjusted and prices cannot be increased. This implies other compensations: lower profits, more innovation, wage compression, etc. This might either be within firms, or through the composition of the population of firms, which is known as creative destruction, as coined by Schumpeter.

In the end, that is what competition in the real, not nominal, world is about.


maandag 30 april 2018

Stakingen met blokkades, moet dat kunnen?

Vooreerst: zijn stakingen altijd terecht? Welnee. Zijn ze gewenst: ook niet, overleg is altijd beter. Zijn negatief voor de economie: evenmin, als conflict uiteindelijk leidt tot een oplossing, is dat doorgaans beteren dan het op z'n beloop te laten. Omdat iedereen verliest bij een staking, is er steeds een incentive om zo snel mogelijk een compromis te vinden (dit is Hicks' paradox). Ook de organisatiekracht van vele werknemers met individueel weinig onderhandelingsmacht, tegenover een beperkt aantal werkgevers met elk meer onderhandelingsmacht, zorgt voor een balans in de arbeidsverhouding. Daardoor zal bijvoorbeeld de loonratio stabiel blijven.

Vandaag in België stellen weinigen nog het stakingsrecht in vraag. Men richt zijn pijlen op het de dee rechtspersoonlijkheid van vakbonden, de clausules voor sociale vrede en de uitbetalingsfunctie, en het zogenaamde recht op werk. Ik ga na tot op welke hoogte de kritieken terecht zouden kunnen zijn.

In België hebben vakbonden, zoals feitelijke verenigingen, geen rechtspersoonlijkheid. Men kan dus de vakbond niet verantwoordelijk stellen voor de vakbondsacties waar ze toe oproept. Omgekeerd zal het stakend vakbondslid in de verdediging kunnen oproepen dat hij of zij handelde in groep en individueel niet alle verantwoordelijkheid kan dragen in het geval er een overtreding van de wet plaatsvond. Dat creëert rechtsonzekerheid en zal veroordelingen voorkomen, tenzij uiteraard de ernst van het misdrijf dermate hoog is dat het niet aan een groepsactie kan worden toegeschreven, zoals moord. Mochten vakbonden wel rechtspersoonlijkheid hebben, dan zijn ze vrij gemakkelijk monddood te maken, omdat ze zich per definitie in conflictgebied begeven waar de leden de grens van het legale zullen opzoeken. Bovendien kanaliseert de vakbond de sociale onrust. Mocht zij er niet zijn als spreekbuis van de werknemers, dan zijn sabotageacties net veel waarschijnlijker. Als men het sociaal conflict wil beheersen, is het dus verstandig om de vakbond in leven te houden.

In veel sectoren is er een clausule voor sociale vrede gekoppeld aan een vakbondspremie. Dat betekent dat wanneer het akkoord gerespecteerd worden, de vakbondsleden een premie krijgen die betaald wordt door de werkgever, en die voor een deel het lidmaatschap van de vakbond compenseert. Dit is een specifiek kenmerk van het Belgisch sociaal model, waarbij de werkgever omzeggens de werknemer aanmoedigt om lid te worden van een vakbond. De premie wordt betaald uit een sociaal fonds, dus het is niet zo dat de werkgever een individuele werknemer zou kunnen ontraden van dat recht gebruik te maken om kosten te besparen. In Nederland is er ook een dergelijk 'afkopen' van sociale vrede, maar daar ontvangt de vakbond, en niet het lid, de middelen, waardoor de perceptie van korting op het lidmaatschap niet bestaat.

Nu is er toch een probleem met deze clausule: namelijk dat ze nooit afgedwongen wordt. Als de vakbond de sociale vrede niét respecteert, zouden er geen premies mogen worden uitgereikt. Dat gebeurt in de praktijk zelden of nooit, waardoor een deel van de functie van de vakbondspremie komt te vervallen.

Een tweede aanmoediging voor vakbondslidmaatschap is het feit dat in België vakbonden uitbetalingsinstanties zijn voor werkloosheidsuitkeringen. Men kan zich afvragen of dat enig nut heeft, aangezien het recht op een werkloosheidsuitkering niet afhangt van het vakbondslidmaatschap en er ook een hulpkas voor werkloosheid is die door de overheid wordt ingericht. Er zijn twee redenen om dit toch te behouden. De eerste reden is dat de vakbond optreedt in functie van de maximale rechten van de werknemer, en de hulpkas in functie van de minimale plicht van de overheid. Aangezien het arbeidsrecht een kluwen is, betekent dit dat de werkloze sneller een volledige werkloosheidsuitkering zal krijgen wanneer hij of zij lid is van een vakbond. De tweede reden is volstrekt parallel met de vakbondspremie: het feit dat de vakbond wordt ingeschakeld voor de begeleiding van de werknemer doorheen de carrière, van scholier tot gepensioneerde, over studentenjobs, tewerkstelling, en werkloosheid, is een keuze voor een bepaald sociaal model. Ook de ziekteuitkering, via de mutualiteiten, is historisch verzuild. Aan de werkgeverskant zou een gelijkaardig stelsel denkbaar zijn mochten sociale secretariaten gelinkt zijn aan sectorfederaties, maar dit is niet het geval. Desalniettemin, hoewel perfect substitueerbaar door een efficiënte en geautomatiseerde overheid, zorgen extra functies voor de vakbond ervoor dat het lidmaatschap geen motie van wantrouwen is tegenover de werkgever, maar een rationele keuze in functie van het eigenbelang op lange termijn.

Het laatste en meest actuele punt van kritiek is het zogenaamde recht op werk. Er is inderdaad een ILO richtlijn, en zelfs een artikel in de UVRM, dat het recht op werk stipuleert. Werk geeft betekenis aan het leven en verschaft bestaansmiddelen. Een slechte verstaander begrijpt hieruit dat élk werk dit garandeert, en dat werken daarom op élke dag mogelijk moet zijn. Het is een drogreden om blokkades tijdens stakingen, waar werkwilligen de toegang tot de onderneming wordt ontzegd, te veroordelen. Vooreerst moet men het recht op werk begrijpen als het recht op waardig werk. Men dient ook het sociaal overleg te begrijpen als de democratie die waardig werk reguleert. In dat opzicht is staken een middel, als alle andere zijn uitgeput, om dit recht op werk en waardige werkomstandigheden af te dwingen. Ik vergelijk het met een huwelijk: hoewel er een huwelijkscontract is, moeten beide partners erin blijven geloven. Het recht om samen te blijven, de eed tot trouw, is niet veel waard als het leidt tot dwang. Idem met een arbeidscontract: men kan van het recht op werk geen plicht op werk ten allen prijze maken. Een staking is dan een tijdelijke onderbreking die de ruimte geeft om de waarde en de waardigheid van de arbeidsrelatie te herbekijken.

Maar er is meer. Hoger heb ik aangehaald dat de vakbond werknemers met een zwakke onderhandelingspositie organiseert, de krachten bundelt. Hoewel het staken een recht is, zal de werkgever dit een werknemer vaak niet in dank afnemen. Een ontslagmotief is in de daaropvolgende periode gemakkelijk gevonden. Werknemers die vrezen voor hun job zullen dus niet werkwillig zijn omwille van hun recht op werk, maar net om ze vrezen dit te zullen worden afgenomen. Dat is de meest logische interpretatie, en het getuigt van totale wereldvreemdheid om dit anders te zien. Want bij een staking zijn het enkel de stakers die hun inkomen verliezen, deels gecompenseerd door een stakingsvergoeding, niet de werkwilligen die verhinderd zijn door overmacht. De beste bescherming is er ten andere wanneer het piket wordt opgezet door vakbondsleden van een andere onderneming: dit dwingt werkgevers om het collectief overleg een kans te geven, en beschermt werknemers tegen hun werkgever.

Kort samengevat zijn de meeste kritieken op de positie van de vakbond een onrechtstreekse poging om het stakingsrecht te ondermijnen en een rechtstreekse poging om de onderhandelingsmacht van werknemers te verkleinen. Alleen wat de clausule voor sociale vrede en de rol van uitbetalingsinstantie betreft kan men zich afvragen of een deel van het nut hiervan niet is komen te vervallen, en of het niet mogelijk is om daadwerkelijk een prijs op sociale vrede te zetten en efficiënt werkloosheidsuitkeringen uit te keren zonder non-take up, en tegelijk nog genoeg incentieven te geven voor de werknemers om bij een vakbond aan te sluiten.

vrijdag 27 april 2018

Higher wages or more jobs to reduce poverty?

There is a somewhat twisted consensus around the fact that minimum wages do little about poverty, and also have no effect on employment. Why then would we raise them?

Poverty, for many, is a household concept. The loss of income by any family member will pull all family members into poverty. This is of course true and the impact of minimum wages on career interruptions is difficult to establish causally.

However, another line of reasoning would be to wonder what wage structure would exist if the labour market was entirely unregulated. It is obvious that just about any job might exist, if there would be no drawback position such as social security, and low reservation wages. In the current globalized economies, this is very likely. In more remote, nordic economies, this used to be less so. Combining high schooling and high bargaining coverage and unionization, in-work poverty has not been a challenge.

Besides migration and the downgrading of the workforce, the pressure on benefits, and hence the lowering of the reservation wage, technological change and in particular job polarization is also fuelling the growth of the low wage segment.

If we look at the role of wages in reducing poverty in the past, this is perhaps not as important as it will be in the future.

donderdag 26 april 2018

Beter één enkelvoudig statuut

In België blinken we uit in bijbouw: er zijn vele institutionele tuinhuisjes opgericht voor arbeiders, bedienden, uitzendkrachten, vaste contracten, vaste benoemingen, aanstelling bepaalde duur, studentenarbeid, flexi-jobs, etc. Ze hebben een verschillend ontslagrecht en opzegtermijnen, verschillend vakantiegeld, verschillende sociale bijdragen, en noem maar op. Het resultaat is dat een standaardovereenkomst ontmoedigd wordt én voor investeerders zeer oninteressant lijkt. België heeft dus ogenschijnlijk een hoge belastingdruk, die weliswaar ontsnapt door de achterpoortjes van de tuinhuisjes.

Waarom kan het niet eenvoudiger, met slechts één type arbeidscontract, dat gelijk is voor arbeiders, bedienden, ambtenaren en uitzendkrachten? Er is één type opzegtermijn dat in onderlinge overeenkomst kan worden bijgesteld. Uitkeringen volgen automatisch en zijn afhankelijk van het aantal gewerkte uren. Dit zou ongelofelijk veel administratie en fouten voorkomen, zonder aantoonbare nadelen. Uitzendkrachten of studenten krijgen precies hetzelfde contract en betalen dezelfde bijdragen, en kunnen zo tien contracten bij hetzelfde bedrijf hebben in twee jaar tijd, en een maximum van twee jaar werk voor een bedrijf, waarna geen nieuw contract meer kan worden gesloten. Wil men uitzendarbeiders vaker inschakelen, dan kan dit mits een standaardcontract met het uitzendkantoor.

Dit zou de grootste flexibilisering van de Belgische arbeidsmarkt zijn, terwijl het de werknemers net méér zekerheid biedt en de bedrijven transparantie.