This is a remark I made at the presentation of the PhD of François Ghesquière. I am not sure it is 100% correct and to be found in reality, but let me explain the paradox of increasing observed inequality when minimum wages increase.
We got used to thinking about minimum wages being fairly harmless to employment in monopsony markets. The minimum wage increases marginal costs above labour supply, so that the monopsonist limits demand for labour, but still pays the wage on the supply curve. Now suppose the supply curve is fairly flat (elastic). For a small amount of money offered, a great deal of extra workers will be available. Hence in this case, an increase in the minimum wage may increase the number of low-paid workers, and shift the tenth percentile more to the left than it does the median, thereby increasing lower tail (and overall) wage inequality, e.g. the gini coefficient.
Of course, the increase of the minimum wage appears to only have advantages in this case, as more workers entered the workforce and the market failure of the monopsonist is attenuated. The apparent increase is therefore due to the selection bias.
donderdag 5 januari 2017
Moeten vrouwelijke sporters zoveel verdienen als mannen? En pornoacteurs zoveel als actrices?
In een andere post, in de taal van Joyce, heb ik mijn twijfel uitgedrukt bij de conventionele verklaringen voor de hoge lonen in de sportwereld. Kort samengevat: er zijn andere redenen dan het superstar-effect waarom de veiling de prijs van sporters kàn doen oplopen tot ver boven hun marginale productiviteit en boven de aanbodscurve. De voornaamste lijken mij witteboordcriminaliteit en oligopoliemarkten.
Hier wil ik een andere dimensie van de sportloonproblematiek aansnijden: de ongelijkheid. Men kan loonongelijkheid als een perfect allocatiemechanisme zien en daarmee de discussie sluiten. Anderen zien er een onrechtvaardigheid in, niet zelden door het verschil tussen mannen en vrouwen, die 'toch gelijkwaardig zijn'. Ik hou van deze discussie, omdat ze op basis van een terecht sentiment paradoxale conclusies trekt.
Men gaat namelijk uit van een binnengroepshomogeniteit van mannen en vrouwen. Dat is ongelofelijk binair denken dat grenst aan racisme. Ook tussen 'rassen' zijn er biologische verschillen, maar niet elke Latino, Aziaat, zwarte, of Caucasiër beantwoordt aan de norm van hun groep. We zouden het aanstootgevend vinden het zo voor te stellen. Het onderscheid tussen mannen en vrouwen is trouwens niet eens gemakkelijk te maken - het 23ste chromosoom is geen afdoende criterium, vaak gaat men ook fenotypische klassen maken. De gemiddelde man heeft niet de longinhoud van Vincenzo Nibali en niet de motoriek van Dries Mertens. Hij zal ook ernstige letsels oplopen als hij het opneemt tegen Ronda Rousey, topvedette in de MMA. Er zijn dus véél relevantere divisies te verzinnen dan man/vrouw, die ook binnen sporten gelden. Het voorstellen alsof vrouwelijke sporters, omwille van de gelijkwaardige inspanningen die ze doen, recht hebben op een loon dat overeenkomt met de mannen in de sport, laat veel mannen in de kou staan. Zo is het ook in de politiek: de gemiddelde vrouw lijkt helemaal niet op de gemiddelde vrouwelijke politicus. De stiel vereist een zeker haantjesgedrag, een sociaal-economische positie, opleiding, en verbetenheid die redelijk uitzonderlijk is. Je kan enkel tijdelijk quota rechtvaardigen, om alvast uit te sluiten dat een meisje dat opgroeit zichzelf zou wijsmaken dat haar gender haar gedroomde carrière in de weg zou staan. Eens het structuratie-effect werkt, zijn quota overbodig en zelfs hinderlijk voor het gelijkheidsdenken.
In de filmwereld is het trouwens soms omgekeerd: een pornoactrice verdient het tienvoud van wat mannen opstrijken, wellicht voornamelijk door een simpel spel van vraag en aanbod. Dit brengt ons bij de kern van de zaak: wat willen we laten meespelen aan de vraagzijde? Het is mogelijk om meer aandacht te wijten aan vrouwensport en misschien is het zelfs een zeer goed idee, gezien de dreiging van obesitas in België. Het is echter ook discriminatoir en niet-meritocratisch. Er zijn veel vormen van ongelijkheid, en ze zijn wat mij betreft allemaal problematisch: naar afkomst, tussen jong en oud, tussen hoog- en laagopgeleiden, tussen mannen en vrouwen, tussen grote en kleine mensen, en op basis van seksueel kapitaal of uiterlijk. Zelfs een onbenoembare ongelijkheid kan problematisch zijn, vanuit het rechtvaardigheidsdenken en de veil of ignorance. De genderloonkloof is slechts het topje van de ijsberg.
Willen we iets aan ongelijkheden doen, dan moet niét gefocust worden op de categorieën waarin ze tot uiting komen, maar aan het proces van de loonvorming. Op de arbeidsmarkt gaat het om het creëren van producten en diensten met het oog op handel. Men dient dus zo efficiënt mogelijk te werken, hoe of met wie maakt weinig uit. Soms kan het product of de dienst wél samenvallen met de creator: zo gaan we bijvoorbeeld meer dan de marktprijs betalen voor een kaarsenset die in een verzorgingstehuis zijn gemaakt, omdat we sympathie hebben voor de ouderen. We zullen misschien liever naar een masseuse gaan dan naar een masseur, of vice versa naargelang geaardheid, omdat een ruwe hand en een zachte een andere dimensie toevoegen aan de verbeelding - en relaxatie het uiteindelijke doel blijft. Voor de meeste producten echter maakt het evenwel geen bal uit. Loonongelijkheden komen dan door toevalligheden tot stand: de mate waarin iemand door een familiale situatie gedwongen is om wat voor job dan ook op te nemen, of toe te geven op het loon om meer flexibiliteit te bedingen. Sommige mensen zijn slechte onderhandelaars, makkelijker te manipuleren. Die psychologische en sociale component heeft niets te maken met de waarde van de werknemer in het arbeidsproces. Vandaar dat men over zulke lonen collectief moét onderhandelen. De werkgever zal een voor de omzet correct loon aanvaarden, mogelijks met dezelfde gemiddelde vergoeding als wanneer individueel onderhandeld wordt. Het verschil zit echter in de spreiding, die zonder collectieve onderhandeling vaak nodeloos groot wordt. Dat zien we in landen die geen sterk (gecentraliseerd) sociaal overleg kennen. Daar zien we zelfs de trend naar een omgekeerde loonkloof bij jongeren, waarbij mannen minder gaan verdienen dan vrouwen.
Dit is ook de keuze voor de sportwereld: willen we dat ploegen een loon uitbetalen dat in verhouding staat tot de sportieve prestaties, een perfect meritocratisch gegeven, of willen we een personencultus vieren en in marketing investeren? Door te focussen op individuele kenmerken om kloven te dichten, zal men paradoxaal genoeg de algemene ongelijkheid doen toenemen, bijvoorbeeld tussen voetbal en andere sporten. Maar nogmaals, dat is een voorkeur zoals een andere.
Hier wil ik een andere dimensie van de sportloonproblematiek aansnijden: de ongelijkheid. Men kan loonongelijkheid als een perfect allocatiemechanisme zien en daarmee de discussie sluiten. Anderen zien er een onrechtvaardigheid in, niet zelden door het verschil tussen mannen en vrouwen, die 'toch gelijkwaardig zijn'. Ik hou van deze discussie, omdat ze op basis van een terecht sentiment paradoxale conclusies trekt.
Men gaat namelijk uit van een binnengroepshomogeniteit van mannen en vrouwen. Dat is ongelofelijk binair denken dat grenst aan racisme. Ook tussen 'rassen' zijn er biologische verschillen, maar niet elke Latino, Aziaat, zwarte, of Caucasiër beantwoordt aan de norm van hun groep. We zouden het aanstootgevend vinden het zo voor te stellen. Het onderscheid tussen mannen en vrouwen is trouwens niet eens gemakkelijk te maken - het 23ste chromosoom is geen afdoende criterium, vaak gaat men ook fenotypische klassen maken. De gemiddelde man heeft niet de longinhoud van Vincenzo Nibali en niet de motoriek van Dries Mertens. Hij zal ook ernstige letsels oplopen als hij het opneemt tegen Ronda Rousey, topvedette in de MMA. Er zijn dus véél relevantere divisies te verzinnen dan man/vrouw, die ook binnen sporten gelden. Het voorstellen alsof vrouwelijke sporters, omwille van de gelijkwaardige inspanningen die ze doen, recht hebben op een loon dat overeenkomt met de mannen in de sport, laat veel mannen in de kou staan. Zo is het ook in de politiek: de gemiddelde vrouw lijkt helemaal niet op de gemiddelde vrouwelijke politicus. De stiel vereist een zeker haantjesgedrag, een sociaal-economische positie, opleiding, en verbetenheid die redelijk uitzonderlijk is. Je kan enkel tijdelijk quota rechtvaardigen, om alvast uit te sluiten dat een meisje dat opgroeit zichzelf zou wijsmaken dat haar gender haar gedroomde carrière in de weg zou staan. Eens het structuratie-effect werkt, zijn quota overbodig en zelfs hinderlijk voor het gelijkheidsdenken.
In de filmwereld is het trouwens soms omgekeerd: een pornoactrice verdient het tienvoud van wat mannen opstrijken, wellicht voornamelijk door een simpel spel van vraag en aanbod. Dit brengt ons bij de kern van de zaak: wat willen we laten meespelen aan de vraagzijde? Het is mogelijk om meer aandacht te wijten aan vrouwensport en misschien is het zelfs een zeer goed idee, gezien de dreiging van obesitas in België. Het is echter ook discriminatoir en niet-meritocratisch. Er zijn veel vormen van ongelijkheid, en ze zijn wat mij betreft allemaal problematisch: naar afkomst, tussen jong en oud, tussen hoog- en laagopgeleiden, tussen mannen en vrouwen, tussen grote en kleine mensen, en op basis van seksueel kapitaal of uiterlijk. Zelfs een onbenoembare ongelijkheid kan problematisch zijn, vanuit het rechtvaardigheidsdenken en de veil of ignorance. De genderloonkloof is slechts het topje van de ijsberg.
Willen we iets aan ongelijkheden doen, dan moet niét gefocust worden op de categorieën waarin ze tot uiting komen, maar aan het proces van de loonvorming. Op de arbeidsmarkt gaat het om het creëren van producten en diensten met het oog op handel. Men dient dus zo efficiënt mogelijk te werken, hoe of met wie maakt weinig uit. Soms kan het product of de dienst wél samenvallen met de creator: zo gaan we bijvoorbeeld meer dan de marktprijs betalen voor een kaarsenset die in een verzorgingstehuis zijn gemaakt, omdat we sympathie hebben voor de ouderen. We zullen misschien liever naar een masseuse gaan dan naar een masseur, of vice versa naargelang geaardheid, omdat een ruwe hand en een zachte een andere dimensie toevoegen aan de verbeelding - en relaxatie het uiteindelijke doel blijft. Voor de meeste producten echter maakt het evenwel geen bal uit. Loonongelijkheden komen dan door toevalligheden tot stand: de mate waarin iemand door een familiale situatie gedwongen is om wat voor job dan ook op te nemen, of toe te geven op het loon om meer flexibiliteit te bedingen. Sommige mensen zijn slechte onderhandelaars, makkelijker te manipuleren. Die psychologische en sociale component heeft niets te maken met de waarde van de werknemer in het arbeidsproces. Vandaar dat men over zulke lonen collectief moét onderhandelen. De werkgever zal een voor de omzet correct loon aanvaarden, mogelijks met dezelfde gemiddelde vergoeding als wanneer individueel onderhandeld wordt. Het verschil zit echter in de spreiding, die zonder collectieve onderhandeling vaak nodeloos groot wordt. Dat zien we in landen die geen sterk (gecentraliseerd) sociaal overleg kennen. Daar zien we zelfs de trend naar een omgekeerde loonkloof bij jongeren, waarbij mannen minder gaan verdienen dan vrouwen.
Dit is ook de keuze voor de sportwereld: willen we dat ploegen een loon uitbetalen dat in verhouding staat tot de sportieve prestaties, een perfect meritocratisch gegeven, of willen we een personencultus vieren en in marketing investeren? Door te focussen op individuele kenmerken om kloven te dichten, zal men paradoxaal genoeg de algemene ongelijkheid doen toenemen, bijvoorbeeld tussen voetbal en andere sporten. Maar nogmaals, dat is een voorkeur zoals een andere.
Football inflation
The wages of football players are astonishingly high and we do not precisely know why. In this tentative post I explore a few possible explanations. The main argument is that we have a market inefficiency and it is built on a simple intuition: you do not have to pay unschooled labour very much to make them hit a ball all day. Yes, the talent is rare, and the very best will not refuse more money if you throw it at them. And yes, you will loose the bidding process if you don't show the money, so the exchange value of elite football players may be very high, but no, there are no efficiencies gained during the wage escalation that justify the wages.
The standard way of thinking is that it is all propensity to pay, and due to a superstar effect of millions of people watching just one team that has the world's most famous player, there is enough at stake to raise wages sky-high. However, what profits does such a team make? Not a lot, as there is a finite capacity in the stadion, and you cannot ever have enough markups on some letters printed on a shirt. Let's discard that road. Broadcasting rights then, yes, amount to many millions that are injected in the world of sports. Again, if the broadcasting rights were cheapish, or non-existing, would that be a game-changer? My guess is no: I was watching all games in any league in the 80s when broadcasting rights were negligible, and players were equally motivated as today. The main difference is that back then there were no ads during the games, so we actually got more sports for less money, in fact for free. Broadcasting rights are very similar to the author's rights in the music and movie industry. They are actually bad calculations. To have your actors, players, musicians, show up and do all the necessary recording, training, and coaching, a known sum of money has to be paid. You can then figure the audience and the expected returns at any price level. At some equilibrium price level, welfare is optimal, and a monopolist will go above that equilibrium, restricting the quantity and increasing prices. But what is more: long after all wages and input costs have been paid, the intellectual (well...) rights still generate returns. As a consumer, you get no value for your money, because production is at zero marginal costs. Now it could be me, but paying more for nothing extra seems very ... inflationary.
What is worse is that the price effects may be endogenous. Say the market for sports products is not very competitive, a paradox indeed, but probably true. Marketing defines what brands are in the market, and multiple brands have the same shareholder structure. I'm no specialist in the field, but I read for instance that Puma and Adidas come from the same family business, and they largely avoid competition, with Puma focussing on the expensive stylish segment of the market, and Adidas on more specialized sportswear. Suppose also that there is a fairly inelastic demands for those fashionable goods, in fact the goods from the companies that decide what's fashionable. Then they can bid whatever amount of money to sponsor the teams that pay the players, and likewise, any other sponsor can further inflate prices by sponsoring the television channels for the broadcasting rights. It is an orgy of inelastic demand and price raises. Interestingly, in Belgium there are many ads for cheese and ham with a local label of origin. By law, these companies have no competitors in the same market. So these companies cause inflation, with a peculiar consequence: inflation leaves room for inequality. The first to benefit are the players, of course, and the last are the spectators that need to ask for a pay rise to their bosses. With some luck, when working at one of the sponsoring companies, that is not too hard, but others will lag behind.
If this sounds like a bubble, that is what it is. It is remarkable that organizations that pay extraordinary salaries, like football clubs, have equally high debts. This means the banks recognize the value of the players as real assets. This is foolish, as everyone know that one tackle suffices to end a player's career, but probably they insure against this. Anyway, it certainly is economically dangerous and also suspicious. A lot of money is flowing in from Arabic states, from oil sheiks and the like. Yes, they produce inelastic goods, but they also excel in money laundering, as do the teams they employ.
In sum, football is inflationary, very literally: thin air blowing up a bubble.
The standard way of thinking is that it is all propensity to pay, and due to a superstar effect of millions of people watching just one team that has the world's most famous player, there is enough at stake to raise wages sky-high. However, what profits does such a team make? Not a lot, as there is a finite capacity in the stadion, and you cannot ever have enough markups on some letters printed on a shirt. Let's discard that road. Broadcasting rights then, yes, amount to many millions that are injected in the world of sports. Again, if the broadcasting rights were cheapish, or non-existing, would that be a game-changer? My guess is no: I was watching all games in any league in the 80s when broadcasting rights were negligible, and players were equally motivated as today. The main difference is that back then there were no ads during the games, so we actually got more sports for less money, in fact for free. Broadcasting rights are very similar to the author's rights in the music and movie industry. They are actually bad calculations. To have your actors, players, musicians, show up and do all the necessary recording, training, and coaching, a known sum of money has to be paid. You can then figure the audience and the expected returns at any price level. At some equilibrium price level, welfare is optimal, and a monopolist will go above that equilibrium, restricting the quantity and increasing prices. But what is more: long after all wages and input costs have been paid, the intellectual (well...) rights still generate returns. As a consumer, you get no value for your money, because production is at zero marginal costs. Now it could be me, but paying more for nothing extra seems very ... inflationary.
What is worse is that the price effects may be endogenous. Say the market for sports products is not very competitive, a paradox indeed, but probably true. Marketing defines what brands are in the market, and multiple brands have the same shareholder structure. I'm no specialist in the field, but I read for instance that Puma and Adidas come from the same family business, and they largely avoid competition, with Puma focussing on the expensive stylish segment of the market, and Adidas on more specialized sportswear. Suppose also that there is a fairly inelastic demands for those fashionable goods, in fact the goods from the companies that decide what's fashionable. Then they can bid whatever amount of money to sponsor the teams that pay the players, and likewise, any other sponsor can further inflate prices by sponsoring the television channels for the broadcasting rights. It is an orgy of inelastic demand and price raises. Interestingly, in Belgium there are many ads for cheese and ham with a local label of origin. By law, these companies have no competitors in the same market. So these companies cause inflation, with a peculiar consequence: inflation leaves room for inequality. The first to benefit are the players, of course, and the last are the spectators that need to ask for a pay rise to their bosses. With some luck, when working at one of the sponsoring companies, that is not too hard, but others will lag behind.
If this sounds like a bubble, that is what it is. It is remarkable that organizations that pay extraordinary salaries, like football clubs, have equally high debts. This means the banks recognize the value of the players as real assets. This is foolish, as everyone know that one tackle suffices to end a player's career, but probably they insure against this. Anyway, it certainly is economically dangerous and also suspicious. A lot of money is flowing in from Arabic states, from oil sheiks and the like. Yes, they produce inelastic goods, but they also excel in money laundering, as do the teams they employ.
In sum, football is inflationary, very literally: thin air blowing up a bubble.
woensdag 14 december 2016
De loonnorm: een dierbare paradox
Elk even jaar, wanneer het winter wordt, publiceert de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) het 'Technisch verslag over de maximale beschikbare marges voor de loonkostenontwikkeling'. Dit document is de voorbereiding voor interprofessioneel overleg waarbij een herenakkoord tussen de koepels van de werknemers- en werkgeversfederaties wordt gesloten met betrekking tot de maximale loongroei in de komende twee jaar. Er wordt een simulatie gemaakt van de loongroei in België op basis van prognoses voor enkele buurlanden en belangrijke handelspartners: Nederland, Frankrijk, en Duitsland. Het advies van de CRB wordt door de Wet van 1996 'tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen' voorgeschreven, maar is niet bindend. Het interprofessioneel akkoord (IPA) dat de sociale partners in de informele Raad van Tien overeenkomen, is dat namelijk ook niet. Alleen wanneer de sociale partners er niet uitraken kan de regering de loonnorm bij wet afdwingen. Bij het vorige overleg hadden we een soort tussenoplossing, waarbij er wel een gedeeltelijk akkoord was (ABVV had niet getekend), maar de minster per Koninklijk Besluit de zaak cementeerde. Dit als context.
De vernieuwde loonnormwet - ik weet niet of die al van kracht is, maar klaarblijkelijk wel - schrijft voor dat het CRB een veiligheidsmarge van 0,5 procent voor, en automatische verrekening van loonkostontsporingen in opeenvolgende interprofessionele akkoorden. De veiligheidsmarge in acht nemend schrijft het CRB dus een reële loongroei van 0,9 à 1,2% voor - dat wil zeggen dat de lonen in Nederland, Duitsland, en Frankrijk verwacht worden om er met 1,4 à 1,7% op vooruit te gaan in de komende twee jaar. Waarop is die 0,5% gebaseerd? Uiteraard niet op economische logica. Zelfs de loonnorm is een eigenaardig principe: men verbiedt werkgevers om competitieve lonen uit te betalen. Economisch gaat men over het algemeen uit van het 'meer is beter' en 'vrijwillig is best' principe. Niet zo dus met de loonnorm, daar vind de overheid het belangrijk dat er institutioneel wordt tussengekomen op de arbeidsmarkt. De rigiditeit is nogal relatief: in werkelijkheid zien we op alle mogelijke manier dat de loongroei afwijkt van de loonnorm - dit heet loondrift. Dat kan door wijzigende kenmerken (leeftijd, scholingsgraad) van de werknemers, door baremieke aanpassingen om een loonstijging te verdediging, en door de wildgroei aan netto- en naturavoordelen, die de indruk geven dat men toch iets extra's krijgt. De fiscus betaalt dan het gelag, want zonder brutoloonstijgingen sputteren de overheidsinkomsten - om die reden is het trouwens eigenaardig dat de lonen altijd in het visser komen bij een 'austerity'-beleid: de verloning van arbeid is niet verantwoordelijk voor de financiële en monetaire crises, en wellicht net een oplossing voor de vraagschokken van 2009 en 2012 - en de reden waarom België er eerder dan andere landen is van hersteld.
Nochtans is een loonnorm geen slecht idee. De economische realiteit zal altijd wel op de een of andere manier zorgen voor een evenwicht. Een wisselkoers is de handigste optie, maar er zijn nog veel andere checks en balances voor wie in een muntunie is gestapt. Wat de loonnorm dan doet is het afremmen van een toenemende loodsongelijkheid tussen sectoren, wat middelen vrijmaakt voor B2B relaties met afhankelijke sectoren waar de loonstijging - bijvoorbeeld door de index - niet gedekt is door de productiviteitsstijging, en waarvoor de vraag vrij inelastisch is. Bijvoorbeeld: een voedingsbedrijf gebruikt nieuwe technologie waardoor het performance wordt, maar kan de werknemers daar maar in beperkte mate van laten meegenieten. Haar producten worden afgenomen door een warenhuisketen, wiens werknemers niet productiever worden, maar wel relatief duurder. Dit gaat meespelen in de onderhandeling tussen leverancier en verdeler, waardoor er een transfer van productiviteit tussen sectoren plaatsvindt. Dit is het collectief overleg op z'n best.
De loonnorm en indexering houden elkaar in evenwicht als centrale mechanismen in de Belgische loonvorming. Beide nemen uitputtende onderhandelingen over, en zorgen er enerzijds voor dat vakbonden naast lonen voor insiders ook tewerkstelling voor outsiders mee betrekken in hun strategie, en anderzijds dat werkgevers geen kunstmatige opdelingen van sectoren gaan maken waar de delen zonder productiviteitsstijging worden afgezonderd om vervolgens te worden uitgebuit - de bron van ongeveer alle vormen van ongelijkheid in het buitenland. Toch is het belangrijk dat er überhaupt nog enige marge overblijft, niet alleen om over te onderhandelen, maar ook om innovatie aan te moeten. Het is paradoxaal dat men de marge aan de onderzijde gaat zoeken, bij die lonen die enkel stijgen door indexering. Men wil dus geen vrijheid voor bloei, maar enkel om te snoeien. De strategie vandaag is dus allesbehalve ambitieus: op z'n best wil de Belgische economie een half procent minder productief worden dan de buitenlandse - hetzij door technologisch achter te blijven, hetzij door het loonaandeel in het bbp ten belope van 0,5% van de potentiële toename in de loonmassa van arbeid naar kapitaal te verschuiven - alvast geen recept tegen een terugvallende consumptie.
Het zou realistischer zijn om op z'n minst een reële 'onderhandelingsmarge' van 2% voor te schrijven, zodat de eigen productiviteitsgroei alvast deels kan worden gehuldigd, en daarbovenop de vergelijking met de buurlanden te maken. Ook dit moeten we in vraag stellen: jaar na jaar zien we hoe verschillend het beleid in Duitsland (extreme flexibilisering), Nederland (strik budgettair beleid), en Frankrijk (de facto geen collectief overleg meer over minima) is. We vergeten dat we ook het Verenigd Koninkrijk en Luxemburg als buurlanden en handelspartners hebben, maar ook andere landen waarvan we de taal niet spreken. Men heeft geen economische glazen bol, en helaas zelfs bitter weinig statistische gegevens over de loonevoluties in het buitenland in het verleden - maar de vergelijking met drie zeer verschillende en eerder economisch instabiele buurlanden is vandaag allesbehalve een goed ijkpunt. Het is moeilijk voor Belgen om dit toe te geven, maar ons land was een baken van rust in een woelige Eurozone, met een gestage tewerkstellingsevolutie, meer stabiele economische groei, en zelfs een gemiddeld inflatieritme zoals de ECB het voorschrijft. Ook de Europese Commissie lijkt te gaan beseffen dat er een rol weggelegd is voor het institutionele verhaal om naar nominale convergentie van de Europese economieën te gaan. Het recept waarbij de politiek het overneemt van de vrije onderhandelingen, leidt immers enkel tot een neerwaartse spiraal van nivellering en groeivertraging. Lawaaimakers voelen zich misschien ongemakkelijk bij een typisch Belgisch compromis, maar dat catalogeer ik onder geldingsdrang.
De vernieuwde loonnormwet - ik weet niet of die al van kracht is, maar klaarblijkelijk wel - schrijft voor dat het CRB een veiligheidsmarge van 0,5 procent voor, en automatische verrekening van loonkostontsporingen in opeenvolgende interprofessionele akkoorden. De veiligheidsmarge in acht nemend schrijft het CRB dus een reële loongroei van 0,9 à 1,2% voor - dat wil zeggen dat de lonen in Nederland, Duitsland, en Frankrijk verwacht worden om er met 1,4 à 1,7% op vooruit te gaan in de komende twee jaar. Waarop is die 0,5% gebaseerd? Uiteraard niet op economische logica. Zelfs de loonnorm is een eigenaardig principe: men verbiedt werkgevers om competitieve lonen uit te betalen. Economisch gaat men over het algemeen uit van het 'meer is beter' en 'vrijwillig is best' principe. Niet zo dus met de loonnorm, daar vind de overheid het belangrijk dat er institutioneel wordt tussengekomen op de arbeidsmarkt. De rigiditeit is nogal relatief: in werkelijkheid zien we op alle mogelijke manier dat de loongroei afwijkt van de loonnorm - dit heet loondrift. Dat kan door wijzigende kenmerken (leeftijd, scholingsgraad) van de werknemers, door baremieke aanpassingen om een loonstijging te verdediging, en door de wildgroei aan netto- en naturavoordelen, die de indruk geven dat men toch iets extra's krijgt. De fiscus betaalt dan het gelag, want zonder brutoloonstijgingen sputteren de overheidsinkomsten - om die reden is het trouwens eigenaardig dat de lonen altijd in het visser komen bij een 'austerity'-beleid: de verloning van arbeid is niet verantwoordelijk voor de financiële en monetaire crises, en wellicht net een oplossing voor de vraagschokken van 2009 en 2012 - en de reden waarom België er eerder dan andere landen is van hersteld.
Nochtans is een loonnorm geen slecht idee. De economische realiteit zal altijd wel op de een of andere manier zorgen voor een evenwicht. Een wisselkoers is de handigste optie, maar er zijn nog veel andere checks en balances voor wie in een muntunie is gestapt. Wat de loonnorm dan doet is het afremmen van een toenemende loodsongelijkheid tussen sectoren, wat middelen vrijmaakt voor B2B relaties met afhankelijke sectoren waar de loonstijging - bijvoorbeeld door de index - niet gedekt is door de productiviteitsstijging, en waarvoor de vraag vrij inelastisch is. Bijvoorbeeld: een voedingsbedrijf gebruikt nieuwe technologie waardoor het performance wordt, maar kan de werknemers daar maar in beperkte mate van laten meegenieten. Haar producten worden afgenomen door een warenhuisketen, wiens werknemers niet productiever worden, maar wel relatief duurder. Dit gaat meespelen in de onderhandeling tussen leverancier en verdeler, waardoor er een transfer van productiviteit tussen sectoren plaatsvindt. Dit is het collectief overleg op z'n best.
De loonnorm en indexering houden elkaar in evenwicht als centrale mechanismen in de Belgische loonvorming. Beide nemen uitputtende onderhandelingen over, en zorgen er enerzijds voor dat vakbonden naast lonen voor insiders ook tewerkstelling voor outsiders mee betrekken in hun strategie, en anderzijds dat werkgevers geen kunstmatige opdelingen van sectoren gaan maken waar de delen zonder productiviteitsstijging worden afgezonderd om vervolgens te worden uitgebuit - de bron van ongeveer alle vormen van ongelijkheid in het buitenland. Toch is het belangrijk dat er überhaupt nog enige marge overblijft, niet alleen om over te onderhandelen, maar ook om innovatie aan te moeten. Het is paradoxaal dat men de marge aan de onderzijde gaat zoeken, bij die lonen die enkel stijgen door indexering. Men wil dus geen vrijheid voor bloei, maar enkel om te snoeien. De strategie vandaag is dus allesbehalve ambitieus: op z'n best wil de Belgische economie een half procent minder productief worden dan de buitenlandse - hetzij door technologisch achter te blijven, hetzij door het loonaandeel in het bbp ten belope van 0,5% van de potentiële toename in de loonmassa van arbeid naar kapitaal te verschuiven - alvast geen recept tegen een terugvallende consumptie.
Het zou realistischer zijn om op z'n minst een reële 'onderhandelingsmarge' van 2% voor te schrijven, zodat de eigen productiviteitsgroei alvast deels kan worden gehuldigd, en daarbovenop de vergelijking met de buurlanden te maken. Ook dit moeten we in vraag stellen: jaar na jaar zien we hoe verschillend het beleid in Duitsland (extreme flexibilisering), Nederland (strik budgettair beleid), en Frankrijk (de facto geen collectief overleg meer over minima) is. We vergeten dat we ook het Verenigd Koninkrijk en Luxemburg als buurlanden en handelspartners hebben, maar ook andere landen waarvan we de taal niet spreken. Men heeft geen economische glazen bol, en helaas zelfs bitter weinig statistische gegevens over de loonevoluties in het buitenland in het verleden - maar de vergelijking met drie zeer verschillende en eerder economisch instabiele buurlanden is vandaag allesbehalve een goed ijkpunt. Het is moeilijk voor Belgen om dit toe te geven, maar ons land was een baken van rust in een woelige Eurozone, met een gestage tewerkstellingsevolutie, meer stabiele economische groei, en zelfs een gemiddeld inflatieritme zoals de ECB het voorschrijft. Ook de Europese Commissie lijkt te gaan beseffen dat er een rol weggelegd is voor het institutionele verhaal om naar nominale convergentie van de Europese economieën te gaan. Het recept waarbij de politiek het overneemt van de vrije onderhandelingen, leidt immers enkel tot een neerwaartse spiraal van nivellering en groeivertraging. Lawaaimakers voelen zich misschien ongemakkelijk bij een typisch Belgisch compromis, maar dat catalogeer ik onder geldingsdrang.
woensdag 7 december 2016
Bewuste domme vraag over pensioenen
Onze overheid grossiert in verdoken belastingen, dat weten we, maar wat men nu heeft verzonnen tart toch alle verbeelding. We moeten studiejaren afkopen om een volwaardig pensioen te genieten. Het wordt voorgesteld als een 'koopje': ca. 1500 EUR voor elk studiejaar, met ongeveer een fiscale aftrek van 50%. Om te beginnen is dit zéér asociaal, want je moet natuurlijk eerst een voldoende hoog inkomen hebben voor je de uitgave van je belastingen kan aftrekken: arme hoogopgeleiden betalen dus het gelag. Veel tijd krijgen we ook niet, de solden lopen maar tot 2020. Om niet te veel tijd te verliezen met denken en opzoekwerk dus deze bewuste domme vraag: worden wij hier bestolen?
De wettelijke pensioenleeftijd wordt in 2025 verhoogd tot 66 jaar en in 2030 tot 67 jaar. Mits voldoende gewerkte jaren kan dat eerder. Om de studiejaren te laten meetellen als voldoende gewerkt, moeten we dus het losgeld betalen. Dat is sterk! Op het moment dat ik ging studeren was de pensioensleeftijd 65 zonder dat losgeld. M.a.w. studeren kostte wat het kostte, niet 1500 EUR méér, wat een disincentive zou zijn. Om nu een volwaardig pensioen te genieten moet die meerkost betaald worden. Men stelt het alsof na drie jaar (250 EUR per jaar versus losgeld van 750 EUR) die kost is terugverdiend. Dat is vals: de 750 EUR ben je nog steeds kwijt, want die werd eerst afgetrokken van het volwaardig pensioen bepaald bij aanvang van de carrière. Men eist nu immers 67-18 = 49 in plaats van 67 - 22 = 45 gewerkte jaren. Een ongelofelijke belasting van hoger opgeleiden. Men kan denken: net goed, die hebben toch de hoogste lonen - gemiddeld is dat zo, maar het zal je maar overkomen hoogopgeleid en werkloos te zijn, of werknemer bij ING. Bovendien maakte dit helemaal geen deel uit van de studiekeuze. Wie vandaag nog moet kiezen, wordt aangemoedigd de lageloonoptie te nemen, want dan krijgt je op een normale manier je pensioen na voldoende gewerkte jaren of op de leeftijd van 67. Wil men van België Bangladesh maken?
Dit gaat niet over het principe van langer werken - daar heb ik mijn eigen ideeën en voorstellen voor. Wat van fundamenteel belang is, is het vertrouwen. Een onbegrijpelijk en fundamenteel ongelijk systeem kan dat niet realiseren. Men heeft van het pensioenstelsel een spelletje gemaakt. Het oude systeem was eenvoudig: men betaalt belastingen, waarvan een deel virtueel op je rekening komt die ergens plafonneert, maar dat in werkelijkheid uitgekeerd wordt aan de gepensioneerden op dat moment. Zo'n repartitiesysteem heeft het nadeel dat men door demografische en economische schommelingen soms de beloftes niet kan waarmaken, maar via een relatief systeem met punten kan daaraan tegemoet gekomen worden en blijft er een incentive om komende generaties een erfenis van hoge productiviteit te geven - immers, dit garandeert uw eigen pensioen.
Omdat de markt zo haar verlangens heeft raakte het kapitalisatiesysteem in de jaren 1990 in trek: via de werkgever (tweede pijler) of op eigen houtje (derde pijler) spaar je op een door de overheid gegarandeerde spaarrekening. Het sparen zelf wordt fiscaal aangemoedigd. Dit is een plundering van de staatskas vandaag en roofbouw op de productiviteit morgen. Bovendien blijken die fondsen niet altijd robuust. In Hongarije heeft men de bevolking quasi gedwongen het spaargeld op te geven in ruil voor de zekerheid een deel te krijgen van wat te verdelen valt via repartitie. Daar komt nog bij dat het een huzarenstukje wordt om carrières te gaan reconstrueren om het bedrag uit de tweede pijler binnen te halen, en dat je bank die derde pijler hopelijk nooit richting restbank zwiert. Eerst wordt de werknemer op dit gammel schavot geplaatst, en nu ook nog gechanteerd tot een niet onaanzienlijke belasting (bvb. voor mij minstens 5*1500 = 7500 EUR voor belastingen) waarvan de return zeer onzeker is. Kunnen wij dit pikken? Neemt men ons voor gek?
De wettelijke pensioenleeftijd wordt in 2025 verhoogd tot 66 jaar en in 2030 tot 67 jaar. Mits voldoende gewerkte jaren kan dat eerder. Om de studiejaren te laten meetellen als voldoende gewerkt, moeten we dus het losgeld betalen. Dat is sterk! Op het moment dat ik ging studeren was de pensioensleeftijd 65 zonder dat losgeld. M.a.w. studeren kostte wat het kostte, niet 1500 EUR méér, wat een disincentive zou zijn. Om nu een volwaardig pensioen te genieten moet die meerkost betaald worden. Men stelt het alsof na drie jaar (250 EUR per jaar versus losgeld van 750 EUR) die kost is terugverdiend. Dat is vals: de 750 EUR ben je nog steeds kwijt, want die werd eerst afgetrokken van het volwaardig pensioen bepaald bij aanvang van de carrière. Men eist nu immers 67-18 = 49 in plaats van 67 - 22 = 45 gewerkte jaren. Een ongelofelijke belasting van hoger opgeleiden. Men kan denken: net goed, die hebben toch de hoogste lonen - gemiddeld is dat zo, maar het zal je maar overkomen hoogopgeleid en werkloos te zijn, of werknemer bij ING. Bovendien maakte dit helemaal geen deel uit van de studiekeuze. Wie vandaag nog moet kiezen, wordt aangemoedigd de lageloonoptie te nemen, want dan krijgt je op een normale manier je pensioen na voldoende gewerkte jaren of op de leeftijd van 67. Wil men van België Bangladesh maken?
Dit gaat niet over het principe van langer werken - daar heb ik mijn eigen ideeën en voorstellen voor. Wat van fundamenteel belang is, is het vertrouwen. Een onbegrijpelijk en fundamenteel ongelijk systeem kan dat niet realiseren. Men heeft van het pensioenstelsel een spelletje gemaakt. Het oude systeem was eenvoudig: men betaalt belastingen, waarvan een deel virtueel op je rekening komt die ergens plafonneert, maar dat in werkelijkheid uitgekeerd wordt aan de gepensioneerden op dat moment. Zo'n repartitiesysteem heeft het nadeel dat men door demografische en economische schommelingen soms de beloftes niet kan waarmaken, maar via een relatief systeem met punten kan daaraan tegemoet gekomen worden en blijft er een incentive om komende generaties een erfenis van hoge productiviteit te geven - immers, dit garandeert uw eigen pensioen.
Omdat de markt zo haar verlangens heeft raakte het kapitalisatiesysteem in de jaren 1990 in trek: via de werkgever (tweede pijler) of op eigen houtje (derde pijler) spaar je op een door de overheid gegarandeerde spaarrekening. Het sparen zelf wordt fiscaal aangemoedigd. Dit is een plundering van de staatskas vandaag en roofbouw op de productiviteit morgen. Bovendien blijken die fondsen niet altijd robuust. In Hongarije heeft men de bevolking quasi gedwongen het spaargeld op te geven in ruil voor de zekerheid een deel te krijgen van wat te verdelen valt via repartitie. Daar komt nog bij dat het een huzarenstukje wordt om carrières te gaan reconstrueren om het bedrag uit de tweede pijler binnen te halen, en dat je bank die derde pijler hopelijk nooit richting restbank zwiert. Eerst wordt de werknemer op dit gammel schavot geplaatst, en nu ook nog gechanteerd tot een niet onaanzienlijke belasting (bvb. voor mij minstens 5*1500 = 7500 EUR voor belastingen) waarvan de return zeer onzeker is. Kunnen wij dit pikken? Neemt men ons voor gek?
woensdag 30 november 2016
Origin of debt
A few interesting observations:
The gov. debt as a percentage of GDP only expresses the extent to which the country is able to pay back the debt. As it has GDP in the denominator, it is sensitive to business cycle swings. Let's look at the picture when expressed in euros (below). The first thing we notice is that we cannot compare levels, as countries are of unequal size, something the GDP accounts for in the above statistic. However, we can now judge whether governments have made the choice to either pay back debt, or reduce taxes. Typically, Ricardian economists would say both are equivalent, but clearly in practice there is a great deal of debate on either, so it may not be neutral in the short run. For instance: foreign companies may be attracted by the low taxes, but not by lower state debt. For political parties, the promise of low taxation may yield more voters, who are blind to the state debt that will eventually have to be repaid. So as a second observation, we see that in Belgium and the Netherlands, state debt was never repaid - mind that this would cost around 30 billion EUR in Belgium for any 10% decrease in the ratio with GDP if GDP is stable.
Of course, besides the size of the economy and productivity, GDP also accounts for inflation, so surely if one counts on inflation debt will evaporate. Unluckily, there was no inflation since the crisis, and we flirted with deflation for a while. I believe austerity measures in Europe, while trying to sanitize budgets in order to increase the confidence in states, have had a reverse effect by decreasing demand, lowering inflation, and hence increasing the debt ratio.
Remarkably, in this chart we see that in the UK, France, and Germany (the latter until 2010), gov. expenditure and debt skyrocketed in the last two decades. So the increase of the debt ratio is not only a demand shock, it is real debt growth. In relative terms, the state could afford the debt growth because GDP was growing. In that sense, the Netherlands and Belgium resisted the temptation.
To conclude: Belgium chose for lowering taxes, as an alternative to paying back debt in times of economic growth. Because growth and inflation slacked all across Europe after 2008, the debt ratio did not improve as much as maybe expected, likely because the strategy of lowering taxes resulted not in higher wages, but in higher profits which are relatively untaxed, so no increases in consumer expenditure nor of government expenditure, and hence a slowdown of the economy, as it was seen all accross the EU. Maybe Ricardian equivalence is correct in theory, but wrong in practice in the short run.
- State debt in Belgium is high, but much lower than 20 years ago. Also in Holland, we see a small decrease of state debt. In France, Germany, and the UK it increased.
- Importantly, most state debt in Belgium is in hands of local banks holding state bonds using the deposits of the citizens. In a way, the Belgian population ows itself 100% of its national product. This makes debt sustainable. Moreover, as interest rate are very low - both for bonds as, as a consequence, on deposits - historic debt has been refinanced, and current debt is not growing.
- The increase of debt between 2008 and 2009 is found in all countries, but most remarkably in the UK. This is surprising, as the fundamentals before the crisis were weak, but it still had its independent national bank, unlike Eurozone countries. It did not benefit from this to shield the British economy from the global demand shock.
- The two-year increase in Belgium in 2008 and 2009 was larger than the next six years - the government aid to the three largest banks must be behind this (Dexia, Fortis, KBC), mainly because in 2008 the rest of the economy was doing very well.
- The crisis was more costly to the Netherlands, both in absolute and relative terms.
- Germany, during the years of flexibilization, witnessed an increase of state debt - probably because of the integration of East-Germany, which was not an unambiguous success story. Since 2010, in the age of austerity, the state debt has decreased. As shown elsewhere, output caught on again as well. However, more people are now in poverty. It appears that growth - debt - inequality is an impossible trilemma.
The gov. debt as a percentage of GDP only expresses the extent to which the country is able to pay back the debt. As it has GDP in the denominator, it is sensitive to business cycle swings. Let's look at the picture when expressed in euros (below). The first thing we notice is that we cannot compare levels, as countries are of unequal size, something the GDP accounts for in the above statistic. However, we can now judge whether governments have made the choice to either pay back debt, or reduce taxes. Typically, Ricardian economists would say both are equivalent, but clearly in practice there is a great deal of debate on either, so it may not be neutral in the short run. For instance: foreign companies may be attracted by the low taxes, but not by lower state debt. For political parties, the promise of low taxation may yield more voters, who are blind to the state debt that will eventually have to be repaid. So as a second observation, we see that in Belgium and the Netherlands, state debt was never repaid - mind that this would cost around 30 billion EUR in Belgium for any 10% decrease in the ratio with GDP if GDP is stable.
Of course, besides the size of the economy and productivity, GDP also accounts for inflation, so surely if one counts on inflation debt will evaporate. Unluckily, there was no inflation since the crisis, and we flirted with deflation for a while. I believe austerity measures in Europe, while trying to sanitize budgets in order to increase the confidence in states, have had a reverse effect by decreasing demand, lowering inflation, and hence increasing the debt ratio.
Remarkably, in this chart we see that in the UK, France, and Germany (the latter until 2010), gov. expenditure and debt skyrocketed in the last two decades. So the increase of the debt ratio is not only a demand shock, it is real debt growth. In relative terms, the state could afford the debt growth because GDP was growing. In that sense, the Netherlands and Belgium resisted the temptation.
To conclude: Belgium chose for lowering taxes, as an alternative to paying back debt in times of economic growth. Because growth and inflation slacked all across Europe after 2008, the debt ratio did not improve as much as maybe expected, likely because the strategy of lowering taxes resulted not in higher wages, but in higher profits which are relatively untaxed, so no increases in consumer expenditure nor of government expenditure, and hence a slowdown of the economy, as it was seen all accross the EU. Maybe Ricardian equivalence is correct in theory, but wrong in practice in the short run.
dinsdag 29 november 2016
Execute R code in Stata / Read SPSS data files
On 64-bit Windows OS and on Mac, the -usespss- command does not work. If you want to use SPSS data (or SAS), without quitting Stata, do something like this:
rsource, terminator(END_OF_R) rpath(R_pathname)
library(foreign);
rprecar<-read.spss("precar.sav", convert.f=TRUE);
rprecar
attributes(rprecar);
write.csv(rprecar,"rprecar.csv", na = ".");
It may be tricky to find your R_pathname. I didn't bother looking up what it is for now - probably the path to the executable (which sucks, because on every computer it will be different). In the example the conversion goes to csv, and there's the missing values ("na") option. The foreign package actually also allows old Stata 9 files, which is just fine and will preserve most labels, variable names, and missing values.
Here's the info for -foreign-:
https://cran.r-project.org/web/packages/foreign/foreign.pdf
rsource, terminator(END_OF_R) rpath(R_pathname)
library(foreign);
rprecar<-read.spss("precar.sav", convert.f=TRUE);
rprecar
attributes(rprecar);
write.csv(rprecar,"rprecar.csv", na = ".");
q();
END_OF_RIt may be tricky to find your R_pathname. I didn't bother looking up what it is for now - probably the path to the executable (which sucks, because on every computer it will be different). In the example the conversion goes to csv, and there's the missing values ("na") option. The foreign package actually also allows old Stata 9 files, which is just fine and will preserve most labels, variable names, and missing values.
Here's the info for -foreign-:
https://cran.r-project.org/web/packages/foreign/foreign.pdf
Abonneren op:
Posts (Atom)